De Coronaviridae

‘De Coronaviridae’, zo heet het hoofdstuk uit mijn leerboek over virusziekten van 35 jaar geleden. Die titel refereert aan de ‘familie van de Coronavirussen’ en de inhoud gaat over wat die zoal aan ellende kan aanrichten bij dieren. De virussen uit deze groep danken hun naam aan de bloembladvormige aanhangsels van het omhulsel, dat elektronenmicroscopisch als de kenmerkende ‘krans’ te zien is op foto’s die tegenwoordig de voorpagina’s van de krant beheersen. Laatste zin van de inleiding uit dat hoofdstuk luidt: ‘Coronavirussen veroorzaken o.a. ook ademhalingsziekten bij de mens.’ Dat de impact daarvan momenteel zo actueel zou worden kon ik destijds uiteraard nooit bevroeden…

Wij kennen bij vele diersoorten dit virus als de boosdoener van diverse ziektebeelden, altijd ook nog eens zeer diersoort specifiek. Meestal als veroorzaker van maagdarmklachten met diarree als gevolg. Zoals het canine coronavirus bij de hond of de bovine evenknie bij het rund. We gebruiken bij kalfjes vaak een sneltest om te kijken wat de oorzaak van diarree is en geregeld stellen we daarbij ook het coronavirus vast als boosdoener. Bij koeien is vaccineren tegen kalverdiarree heel gebruikelijk, waarbij het vaccin tegen datzelfde corona bescherming biedt. Bij varkens kan het coronavirus echter zowel tot maagdarm- als luchtweg klachten leiden. Bij de kat zien we juist een totaal ander ziektebeeld. Na lichte diarree klachten kan het virus bij sommige katten een buikvliesontsteking veroorzaken met fatale afloop: Feline Infectieuze Peritonitis, afgekort FIP in de volksmond. Dit verloop wordt veroorzaakt door een mutatie van het virus, waardoor het immuunsysteem van de kat er niet meer in slaagt de infectie te bestrijden. Ook bij de kip is het net als bij de mens bekend als een luchtweginfectie. Nogmaals, al deze bovengenoemde corona infecties zijn uiterst diersoort specifiek en NIET besmettelijk voor de mens.

Die laatste zin lijkt in tegenspraak met het vermoeden dat de huidige coronagriep bij de mens wel bij dieren vandaan komt. Soms weet een virus zich na een mutatie aan te passen aan een andere ‘gastheer’, de mens in dit geval. Door het innige contact tussen mens en dier is dat voorstelbaar. Dit ‘nieuwe’ virus grijpt dan als een dolle om zich heen, omdat de huidige populatie van de wereldbevolking daar nog geen weerstand tegen heeft opgebouwd. Klaarblijkelijk is dat in China gebeurd. Kunnen dieren nu ook weer en rol in de verspreiding spelen? Hoewel daar geen aanwijzingen voor zijn, weten we dat nog niet. Wat dat betreft wordt er terughoudendheid naar dieren geadviseerd als de baas of verzorger ziek is van corona. Probeer dan iemand anders voor jouw dier(en) te laten zorgen en neem algemene hygiënemaatregelen zorgvuldig in acht.

Hoe gaan wij er ondertussen mee om in onze praktijk? Wij volgen de adviezen die door het RIVM worden aanbevolen. Dus geven we even geen hand als begroeting. Gebarentaal lijkt vooraleerst wat overdreven maar went enorm snel! Natuurlijk maken we nog vaker schoon en nemen we deurkrukken mee in de ontsmetting. Ondertussen verwachten we van baasjes dat ze terughoudend zijn om een afspraak bij ons te maken als ze zelf niet fit zijn. Laat dan iemand anders met jouw zieke dier langskomen. Neem te allen tijde de hygiëne nauwlettend  in acht: handen wassen kan wat dat betreft niet vaak genoeg. En neem de adviezen die van overheidswege worden verstrekt voor alle zekerheid uitermate serieus. Als we dat met elkaar doen kunnen wij jouw dier de allerbeste zorg blijven bieden die je van ons gewend bent!

Maart 2020

Retoerke Ljouwert

Sûnt rom in jier wennet Doede op in pleats by ‘t spoar. Om de boerinne hie’t net hoecht om’t se benaud foar hûnen is; mar de bern woene it sa graach dat de boer úteins mar belies jûn hat. Hy socht in boerestabij út sûnder stambeam; ientsje mei papieren fûn er te prizich. It like him skoan ta dat de boerehelp Doede mar it ien en oare bybringe moast om’t syn húshâlding ek in hûn hat. Yn’t begjin siet Doede meastentiids oan tou sadat er net fuortrinne koe. Mar geandewei krige er mear frijheid en sadwaande spaande hy al rillegau los om de pleats hinne. D’r wennet ek in hynder op dy pleats. En dy Happe krige de skuld dat it mis gie. Tegearre geane de beide bisten wolris it fjild yn en op in kear krústen se neist it paad nei it spoar ta om en slûpte Doede troch in gat yn ‘e hikke de spoardyk op. Fansels kaam d’r krekt op dat momint in trein yn folle faasje oan. De treinmasinist seach lokkigerwize fan fierren hokker grut gefaar Doede rûn en brocht hoeden de trein ta stilstân. Sûnder omhaal liet de hûn liet him oanhelje en waard er troch de masinist meinaam yn syn kabine. Doe’t se yn Ljouwert oankamen bedarre Doede yn’t asyl oan it kealledykje. De boer wie yn alle staten. Hy krige net allinne in print fan de NS, it asyl moast ek betelle wurde foar de opfang. Ik kin hjir mar better net melde wat de boer útkreame hat wat de masinist dwaan moast at er Doede wer op it spoar oantreffe soe…

Dat barde in pear wiken letter lokkich ek net. De boer seach lykwols it swurk al driuwen doe’t de trein op ‘e hichte fan de pleats opnij stoppe. Hy miste Doede fourtendaliks en prompt sette hy de sokken d’r yn nei’t spoar ta. Hy seach de konduktrise noch krekt mei de hûn omtôgjen en wonk wyld mei syn earmen. De masinist sette Doede yn syn kabine en die de doar ticht. Hy swaaide noch troch it rút werom wylst er de trein wer yn gong sette. Troch de toeter dy’t dêrop folge fielde de boer him alderheislikst ferrivele. Mar hy betocht him gjin momint, stapte subyt yn syn auto en reesde nei de stêd. Hast tagelyk mei de trein wie ‘r op it stasjon. Wat him dêr op dat stuit ôfspiele hat? Kin ik allinne mar nei riede… Ienris thús bedarre Doede yn elts gefal wer oan tou.

Doede op it stasjon yn Ljouwert (Foto’s mei tank oan Marijke van der Wal)

De jongste faam fan de boerehúshâlding hat kunde yn ‘t doarp oan in famylje mei in alderaardichst hûntsje. In teefke. Doe’t dy loopsk wie, waard d’r in knappe reu by socht. De dochter moast daliks oan harren Doede tinke en frege har heit wat dy d’r fan tocht. It like de boer in skrander foarstel. Koe Doede ek ris wat kostjild ynbringe! No ynseminearret de boer syn eigen kij, mar fan de hûneseks wit er net rjocht it fijne. Sadwaande frege hy goede kunde of trije minuten fêstsitten fan de reu lang genôch wie foar in geve befruchting fan it teefke…

Doe’t de bistedokter de rook fan dit hiele relaas krige, frege dy him ôf oft it wol in ferstândige set wie om Doede it swiet fan de biology fan de fuortplanting priuwe te litten. Ik haw nammentlik grutte noed dat Doede ynkoarten wer útpykt en op de trein nei Ljouwert hipt. Mar de boer moat dan net ferheard opsjen dat er de reu fan ‘e Weaze opswylje kin.

Febrewaris 2020

Baloo bij de ‘Toskedokter’

Baloo is net in Grou komen wonen en was in januari voor het eerst bij mij op het spreekuur. Deze beagle zit al in haar dertiende levensjaar en een beetje in de lappenmand. Ik heb al eerder eens geschreven: ‘Kijk eens wat vaker in de bek van jouw huisdier’. Want als je dat pas doet als het beestje uit zijn of haar muiltje begint te meuren, zoals ook bij Baloo het geval was, is er eigenlijk sprake van ‘achterstallig onderhoud’. We vinden het heel gewoon dat we één keer per jaar voor gebitscontrole in de stoel bij de tandarts liggen. Helemaal niet zo raar om iets dergelijks ook voor je dier af te spreken. Bij de jaarlijkse vaccinatie en/of controle checken we namelijk gelijk het gebit.

Vier van de vijf honden en katten ouder dan 3 jaar (!) hebben al  last van hun gebit. En een verwaarloosd gebit kan ernstige gevolgen hebben. Niet alleen kunnen tanden en kiezen verloren gaan; soms ontstaan er zelfs ontstekingen in belangrijke organen. Toch denkt het gros van de mensen dat het gebit van hun hond of kat wel gezond is. Gebitsproblemen behoren echter tot de meest voorkomende aandoeningen bij onze huisdieren. In verreweg de meeste gevallen worden ze pas ontdekt bij de jaarlijkse routinecontrole door de dierenarts.

Een onfrisse adem kan veroorzaakt worden door achtergebleven etensresten, maar dan is de geur ook snel weer weg. Is de slechte adem chronisch, dan kan dit het gevolg zijn van tandplaque en/of ontstoken tandvlees. Als jouw hond of kat geen droge brokken meer wil eten of kauwt met maar een kant van zijn of haar gebit, dan zijn gebitsproblemen waarschijnlijk. Het arme dier zal namelijk proberen om pijnlijke kiezen te ontzien.

Tandsteen is hard en geelbruin van kleur. Het begint vaak aan de bovenrand van de kiezen en tanden, tegen het tandvlees aan. Deze plekjes zijn voor onze geliefde viervoeters namelijk moeilijk zelf schoon te houden. Ontstoken tandvlees is rood van kleur op de plaatsen waar het aanhecht aan de tand, meestal precies daar waar het tandsteen zich bevindt. Als er sprake is van bloedingen of zelfs pus, dan moet er hoognodig wat gebeuren.

Voor de reiniging

Ook dit jaar is februari weer ‘de Maand van de Gebitscontrole’. Op www.maandvandegebitsverzorging.nl  is er van alles over te leren en te lezen. Ook als het gebit gezond lijkt, is een jaarlijks routineonderzoek aan te raden. Voorkomen is immers beter dan genezen! Baloo is aan een bloedonderzoek onderworpen. Een zogenaamde ‘seniorencheck’. Gelukkig kwamen daar geen vervelende aandoeningen aan het licht. We hebben een afspraak voor een grondige gebitssanering gemaakt en daarna meteen de vaccinatiestatus weer op orde gebracht. En reken maar dat ze weer lekker eet, ook al heeft haar bekkie een aantal elementen moeten inleveren…

Weer netjes en fris!

Februari 2010

De vernieuwing

‘De tiid hâld gjin skoft…’ In amper vijf jaar tijd is er in onze dierenartsenpraktijk enorm veel veranderd. Niet alleen qua bezetting, van vier naar acht dierenartsen; maar ook in wat we doen en kunnen. Het in-huis-laboratorium geeft enorm veel meer mogelijkheden en vooral snellere diagnoses. De toegevoegde waarde van echoapparatuur heeft zich al meermalen bewezen en dat we zelf bacteriologisch onderzoek doen en kunnen bepalen voor welke antibiotica de ziekteverwekker gevoelig is, is tevens een grote vooruitgang.

Bloedonderzoek op orgaanfuncties doen we al een paar jaar in ons eigen lab. De nieuwste aanwinst op dat gebied  is een apparaat dat ook het bloedbeeld van patiënten kan bepalen. Het bloedbeeld wordt gevormd door de rode en de witte bloedlichaampjes. Daaruit kun je afleiden of er sprake is van bijvoorbeeld bloedarmoede of  ontsteking. Hoewel het volledig bloedbeeld ons zelden een specifieke diagnose biedt, is het heel gevoelig en geeft het vaak de eerste aanwijzing voor ziekte bij een patiënt.  Wanneer het bloedbeeld regelmatig wordt bepaald, kunnen we een trend waarnemen om de ernst van een ziekteproces aan te geven en te volgen of het proces verslechtert of verbetert. We lieten het bloedbeeld geregeld door een extern laboratorium doen, maar nu hebben we veel sneller een uitslag. Dat komt uiteraard de patiënt ten goede: hoe vlotter uitsluitsel, des te eerder weet je wat je te doen staat.

Sinds april vorig jaar werken we uitsluitend op afspraak. Dat wordt door zowel onze clientèle als door onszelf als erg positief ervaren. Er is meer tijd voor de patiënt en de wachttijden zijn danig bekort. Dat niet een ieder altijd exact op het afgesproken tijdstip kan worden geholpen wordt gelukkig niet als negatief ervaren. Als er een spoedgeval tussendoor komt dient dat uiteraard voorrang te krijgen. Gelukkig hebben we het interne klimaat dit jaar beter onder controle: er is namelijk airconditioning aangelegd! Dit voorjaar gaan we daarnaast ook nog een stap maken richting duurzaamheid. Er worden zonnepanelen aangeschaft om zelf in het toenemende stroomgebruik te kunnen voorzien.

Alle veranderingen hebben echter ook een keerzijde: we beginnen zo langzamerhand uit ons jasje te groeien. Daarom hebben we inmiddels een bouwcommissie benoemd om te inventariseren en verbouwing voor te bereiden. Meedenken wordt op prijs gesteld. Mocht je ons van advies willen voorzien, meld het gerust! Op de mail, via de telefoon of gewoon bij de balie.

Last but zeker niet least maak ik van de gelegenheid gebruik om (alweer!) een nieuwe collega voor te stellen: Marije Kamstra. Marije is opgegroeid in Terherne en in juli 2019 afgestudeerd als dierenarts landbouwhuisdieren aan de Universiteit van Gent. Hierna is ze een periode werkzaam geweest bij een dierenartsenpraktijk elders in Fryslân. Per december vorig jaar is Marije in dienst bij onze praktijk. Hoewel ze vooral op route zal zijn tussen de koeien en de paarden, zal ze ook zo nu en dan op het spreekuur opduiken. Marije draait ondertussen al ruim een maand mee en we zijn ervan overtuigd dat zij prima in ons team past en dat ze perfect in staat is ons logo te vertegenwoordigen: ‘Met hart voor dieren, in het hart van Fryslân!’

Januari 2020

‘Vuurwerkangst’

Eind december en rond de jaarwisseling is er buiten weer veel flitsend geknal. Terwijl het voor ons juist zulke gezellige, knusse en feestelijke dagen zijn, breekt voor menig huisdier juist een angstaanjagende periode aan. De kat zit ineengedoken, de hond gedraagt zich onderdanig; ze durven niet meer naar buiten of worden plots onzindelijk. Nog erger wordt het als dieren radeloos, paniekerig en niet meer aanspreekbaar zijn. Het is in ieder geval dan van groot belang om voor een veilige plek voor jouw huisdier te zorgen.

De belangrijkste reden waarom honden zo angstig zijn is dat ze van hun bazen hebben begrepen dat vuurwerk eng is. Ze worden getroost of er wordt steeds op hen gelet als ze schrikken. Zo worden ze juist in hun angst bevestigd. Dat gedrag kan zodanig ontsporen dat ze ook bang kunnen worden voor onweer, luchtballonnen of zelfs het magnetronpiepje.

Als er dus iets moet veranderen, is het wel het gedrag van de eigenaar als een dier schrikt. De angst geheel negeren is ook niet juist. Je kunt beter de angst voorkomen of proberen om het ongewenste gedrag om te buigen. Dat is niet eenvoudig. Het is wel verstandig om er tijdig mee te beginnen en om alle huisgenoten hierin te betrekken.

Let op dat honden goede acteurs kunnen zijn. Ze hebben ontdekt dat als ze bang gedrag vertonen, ze aandacht of troost krijgen. Als jouw hond de oren laat hangen, de staart laag houdt en de mondhoeken naar beneden trekt, is ie echt bang. En al helemaal als hij niet meer met een versnapering is te paaien! Bedenk ook dat angstige honden elkaar aan kunnen steken. Dat is dus het risico als je een bange hond bij andere honden zet.

Als een dier angstig gedrag vertoont, straf het dan absoluut niet. Dat werkt zeker averechts.

Training

Je kunt jouw hond weerbaar maken tegen vuurwerk door training. Gebruik daarvoor verschillende geluiden zoals ballonnen of een klappertjes pistool. Makkelijker is het geluiden op YouTube op te zoeken. Dan kun je het volume ook langzaam opvoeren om gewenning te bewerkstelligen, zonder dat er paniek ontstaat. Doe ondertussen favoriete spelletjes met jouw hond of combineer het leuke met datgene waar hij van slag van raakt. Leer hem een koppeling te maken tussen de vervelende geluiden en het aangename spel. Beloon hem royaal als het gewenste gedrag wordt getoond!

Medicatie

Het is niet zo simpel om een bang dier rustig te krijgen met medicijnen. Ze werken niet lang genoeg, niet sterk genoeg of geven bijwerkingen. De variatie in effect is bovendien groot. Het doel van de medicatie is dat de angst gedempt wordt en het huisdier meer ontspannen is, waardoor de vuurwerktraining succesvoller zal zijn. Alleen medicatie geven is dus vaak onvoldoende; je moet dit juist combineren met een intensieve training. Het spreekt voor zich dat je hiermee tijdig moet beginnen. Medicatie is maatwerk.

Er bestaan voedingssupplementen die angstig gedrag dempen. Deze kun je in de vorm van capsules dagelijks toedienen. Maar er is ook voer (Calm Dieet) verkrijgbaar waar natuurlijke stoffen in zitten die direct of indirect een positieve invloed hebben op de gemoedstoestand van het dier. Beide dienen ruim voor de jaarwisseling worden opgestart om het gewenste effect te sorteren. Het heeft geen bijwerkingen.

Ook zijn er kalmerende elektrische verdampers voor hond en kat om in huis een geruststellende sfeer te scheppen. Dit ‘luchtje’ heeft een stabiliserend effect heeft op de gemoedstoestand van het huisdier. De verdamper werkt ongeveer een maand en dient ruim een of twee weken voor de jaarwisseling reeds in gebruik genomen te worden. Wij ruiken deze ‘geurhormonen’ niet en reageren er ook niet op. Het is een natuurlijk middel zonder bijwerkingen. Het enige nadeel is dat deze niet gebruikt kunnen worden als er Carapatiënten in huis zijn.

Oud en Nieuw medicatie: dit zijn tranquillizers die op oudejaarsavond worden gegeven om de ergste vuurwerkangst op te vangen. De meeste dieren reageren hier goed op. Deze medicatie dient op gewicht en soms per ras individueel gedoseerd te worden om het zo veilig mogelijk te houden.

Het grote nadeel is dathet effect niet helemaal voorspelbaar is. Het treedt soms te laat op of het houdt de volgende dag nog lang aan. Wanneer u toch voor deze ‘knalmedicatie’ kiest: Let erop dat u de juiste dosering geeft ruim vóór de jaarwisseling. De dieren gaan beter slapen als het nog rustig is en indien het onvoldoende effect sorteert, kan er nog tijdig ‘nagedoseerd’ worden. Let erop dat de dieren niet te koud liggen, want door de bloeddrukdaling koelen ze sneller af! In principe werken de medicijnen een aantal uren. Er is echter wel een grote variatie in werkingsduur. Er bestaat geen tegengif, zodat er weinig te doen is als het middel langer werkt dan verwacht. Het middel mag nooit aan hartpatiënten worden verstrekt!

Het allerbeste idee?

Dat bestaat helaas niet. Begin in ieder geval op tijd met de vuurwerktraining en niet pas op 31 december! Overleg tijdig met jouw dierenarts wat daarnaast eventueel de meest geschikte medicatie voor jouw dier is.

Tips voor Oud & Nieuw:

• Zet de radio of TV lekker luid aan en sluit de gordijnen goed en doe binnen het licht aan.

• Geef katten de gelegenheid om zich te verstoppen op een veilig plekje, houd ramen, deuren         en kattenluikjes dicht.

• Geef eventuele vuurwerkmedicatie precies volgens voorschrift.

• Leid de hond tijdens het uitlaten af met een speeltje of een brokje vóórdat hij angstig gedrag kan gaan vertonen; zo leert hij om op jou te letten en niet op zijn omgeving.

• Laat een angstige hond altijd aan de riem uit zodat je zelf de controle houdt.

• Laat de hond ruim voor 22.00 uur uit, voordat het echte knallen losbarst.

• Doe eventueel watten in de oren, vetgemaakt met wat olijfolie.

• Laat hond of kat beslist niet alleen in huis en zeker niet als hij medicatie heeft gehad. Hij kan zich in paniek en half versuft ernstig bezeren!

• Doe de volgende dag rustig aan tot de medicatie helemaal uitgewerkt is.

• Een oproep om vuurwerk uitsluitend voor middernacht te reserveren is zinloos. Echter, wanneer het de spuigaten uitloopt met geknal op andere tijdstippen, is er maar één remedie: de boosdoeners er consequent op aanspreken!

• Meer tips? Kijk verder op de site van het LICG.

Rustiger kunnen we de jaarwisseling niet maken, een beetje gezonder hopelijk wel. Laat deze gedachte de leidraad zijn voor een voorspoedig nieuwjaar voor mens én dier! 

De parallel

Ik was aangenaam verrast toen ik het verhaal van Ethan Lindenberger las. Deze student uit Ohio in de VS liet zich op zijn 18e verjaardag inenten tegen bof, mazelen en rode hond. Dit tegen de uitdrukkelijke wil van zijn ouders die hem om principiële redenen als kind deze reguliere vaccinatie had onthouden omdat ze ervan overtuigd waren dat dit tot autisme en hersenschade kan leiden. Ethan neemt het zijn ouders niet kwalijk, ‘want zij zijn misleid door bronnen die desinformatie verspreiden’.

De stap van deze student was zo opzienbarend, dat hij in de Amerikaanse Senaat werd uitgenodigd zijn verhaal te doen. Op zijn middelbare school werd tijdens een project duidelijk wat het belang is van betrouwbare informatievoorziening. ‘Bronnen die desinformatie verspreiden zouden de primaire zorg van het Amerikaanse publiek moeten zijn’, zo stelde Ethan tijdens de hoorzitting over vaccinaties van de Senaat, waar hij als getuige optrad. De wetenschappelijke onderzoeken en voorlichting van het Amerikaanse equivalent van het RIVM worden op de sociale media volledig ondergesneeuwd door berichten van de ‘antivaxxers’ die ongefundeerde theorieën het internet op slingeren. Het valt ook om de drommel niet mee om betrouwbare informatie te onderkennen in een land waarvan zelfs de huidige president volgens The Washington Post gemiddeld 15 leugens per dag de wereld in bonjourt en beweringen die hem niet zinnen zelf steevast afdoet als zou het ‘nepnieuws’ betreffen. Feit is dat mazelen in 2000 uit de VS verdreven was, maar daar tegenwoordig weer steeds vaker de kop opsteekt. Ook in Nederland heerst bezorgdheid omdat steeds minder ouders hun kinderen laten vaccineren. En parallel daaraan zien we eenzelfde fenomeen bij onze huisdieren!

In 1796 was het de Britse arts Edward Jenner die het principe van het vaccineren ontdekte. Hij merkte op dat melkmeisjes die met ‘onschuldige’ koepokken in aanraking waren geweest, niet vatbaar waren voor de veel ‘boosaardiger’ mensenpokken. Door experimenteren maakte hij het eerst bekende vaccin. Vacca is latijn voor koe, vaccinia betekent koepokken, en zo ontstond de benaming voor een nieuwe methode om tegen ziekte te beschermen.

Wereldwijd is mazelen een van de belangrijkste oorzaken van kindersterfte, vooral in ontwikkelingslanden. Deze uiterst besmettelijke ziekte kent in de Westerse wereld een milder verloop, maar veroorzaakt desondanks toch 10-20% complicaties en incidenteel een hersenaandoening met soms de dood tot gevolg. Rode Hond verloopt vaak wat milder, maar kan tijdens de zwangerschap voor ernstige complicaties zorgen. Dat werd ons Koninklijk Huis zelfs niet bespaard getuige Prinses Christina. Met een goedkoop, doch uiterst effectief vaccin zijn beide ziektes vrijwel uit Nederland verdwenen, al woedt er zo nu en dan een kleine epidemie in bepaalde geloofsgemeenschappen. Als 95% of meer van de bevolking wordt gevaccineerd, geeft dat bij de resterende bevolkingsgroep groepsimmuniteit. Als de grote groep goed beschermd is, is er gewoon minder kans dat een besmettelijk agens rond kan gaan. Het zogenaamde kudde-effect.

Over kuddes gesproken, bij veehouders is het heel gebruikelijk om veeziektes uit te roeien door middel van vaccinatie. Landelijke aanpak is wel aan te bevelen, want als de buurman niet meedoet is het lastig om een ziekte uit te bannen.

Bij honden en katten is er geen landelijke geleide vaccinatie campagne. Een ieder laat zijn of haar huisdier op eigen initiatief wel of juist niet enten. Ongeveer 60% van de honden wordt gevaccineerd; bij katten is dat nog veel lager: minder dan een kwart. Dat geeft absoluut geen goede groepsimmuniteit. We zien dan ook geregeld doorbraken van katten- en niesziekte. Hondenziekte zien we nauwelijks meer, het afgelopen voorjaar dook het vlak over de Duitse grens nog wel op. Ziekte van Weil komt daarentegen juist weer vaker voor dan voorheen. En juist tegen deze ziekte moet je een hond jaarlijks enten om deze goed te beschermen.

De tegenargumenten van de ‘antivaxxers’ snijden vaak geen hout. Niet gehinderd door enige medische achtergrond worden pertinent onjuiste stellingen over Facebook gedeeld en soms worden onderzoeken van wetenschappers zelfs uit hun verband getrokken. Het meest schrijnend is het bericht over een nieuw vaccin dat ‘honderden dode honden’ tot gevolg had. Heeft een vaccin dan nooit bijwerkingen? Een enkele keer wel, maar dan vaak slechts mild en kortdurend. En in geen verhouding tot de schade die een ziekte kan aanrichten. Zie daar de parallel met het betoog van Ethan Lindenberger. “Mijn moeder is niet kwaadaardig, maar ze werd misleid. Ze houdt van haar kinderen en ze was vooral bezorgd.” Natuurlijk houdt ook elk baasje van zijn geliefde huisdier en wil slechts het beste voor hem of haar. Maar luister dan alsjeblieft naar mensen die het kunnen weten. ‘Die bistedokter preekt voor eigen parochie en laat zich leiden door de maffia van de farmaceutische industrie.’ Wie mij kent, die weet wel beter. Ik heb het al eens eerder geschreven: die jaarlijkse spuit voor ’n prikkie, is de beste verzekering voor jouw dier!

November 2019

Lyts kolleezje yn ‘e iglo

Doe’t ik it boerehiem opried, seach ik de beide bruorkes strie tôgjen nei de kealle-iglo. Dêr sil it ‘slachtoffer’ dan ek wol lizze, tocht ik. Ik hie hoedsum riden en stoppe foarsichtich om’t ik de ynfúsen op it byridersplak stean hie yn in amer dampend wetter om se alfêst op lichemstemperatuer te krijen. Ik hâld net sa fan griemerij yn myn praktykwein; bûtendoar wie it oars al in wiet genôch troch in oanhâldende storein. Bepaald net oanloklik foar de aksje der’t ik foar kaam, ‘k hie it kealtsje leaver yn de skuorre hân… Ate en syn broer kamen op my ta wylst ik myn ark byinoar socht. Ik smiet in slang en in skjirre by it ynfús yn de amer waarm wetter en in nuddeltsje stuts ik, yn it hâlderke, tusken myn kiezen. Sa doch ik dat meastentiids, krektlyk as in smoker. Myn toskedokter ried my soks ôf, mar it is wakker noflik as jo hannen tekoart komme. Ate drobbele foar my út nei de iglo: “Sjoch, it is al hast dea…”

“Kinsto my helpe?” Jawis, en de lytse man dûkte troch it gat nei binnen ta; ik folge him en siigde op myn wrakke knibbels yn it strie njonken it sike kealtsje mei in smoarge kont fan skiterij. It earme bist lei útdroege en fersoere, heal yn koma noch súntsjes te sykheljen. In ynfús is de iennichste remeedzje yn soksoarte fan gefallen. Ik knipte it hier yn de hals fuort om de ier sjen te kinnen en ynstruearre Ate de kop fan it keal stabyl te hâlden. Mei syn trijen wie it aaifol en suver smûk yn de wite koepel, wylst it reinwetter súntsjes op it dak klettere. Wy misten noch immen om de flesse heech te hâlden en Ate syn bruorke wie yntusken wat oars oan’t dwaan. Lokkich kaam Heit krekt om ‘e hoeke: “Jimme binne al drok dwaande!” “Ha goeie, jawis.” Ik keppele de slang oan de ynfúsflesse en joech dy oan de boer, stuts de nuddel yn de ier fan it kealtsje en ferbûn it spul oan elkoar. It rûn fuortendaliks as in tierelier. Soks docht my dan deugd! No moasten wy geduld hawwe, al gau in tweintich minuten ear’t in liter floeistof yn it keal sit. Tiid om in pypfol te praten. “Wolsto ek boer wurde?”, frege ik oan Ate. No nee, leaver bistedokter. “Just! Kinsto in bytsje leare?” No, dat foel net ta want Ate is dyslektysk, sa sei er tsjin my. Lêstich, sa wit ik út ûnderfining mei myn eigen soannen. “Haw mar gjin noed”, sa besocht ik, “asto it wier wolst, moast gewoan ferskuorrend dyn bêst dwaan.”  

Ûnderwylst stie de boer yn de rein de flesse fêst te hâlden njonken dy iglo. Hy sei dêr gjin hinder fan te ûnderfinen om’t it foar it goeie doel wie. Mar hy hie bûtendoar ek net yn ‘e rekken hokker praat wy hiene. “Hasto de fee-arts al ferteld watsto wurde wolst?” No, dêr hiene wy it al oer hân. Myn stive skonken moast ik efkes ferskikke om’t ik murk dat de knibbels wiet waarden. Wy leine wol yn skjin strie, mar de ûnderlaach wie sodzich troch de skiterij. Dit binne altyd och sokke lekkere, frisse putsjes… Net dus!

De flesse rekke hieltyd fierder leech en no waard it tiid foar in twadden ien. Dizze earste is frâl om it tekoart oan focht oan te foljen, dy twadde is mear tsjin de fersoering. Ik joech Ate ynstruksjes om no net allinne it kopke goed fêst te hâlden, mar ek de nudle en de slang. Sels gûchele ik dy folgjende flesse oan de oare ein fan myn flutter. Dat stekt nau om’t d’r gjin luchtbel yn komme mei. Ek dizze flesse begûn mei faasje leech te brobbeljen en ik joech him de boer wer oer. Doe wie d’r tiid om Ate in lyts kolleezje te jaan hoe‘t it kin dat in keal it iene momint sels noch út de amer stiet te sûpen en in oerke letter foar pampus lizze kin troch slimme skiterij. Hokker lytsebeesjeboel yn de terms húsmannet dy’t wy net mei it bleate each sjen kinne en dêr debet oan wêze kin. En wat jo dwaan kinne om soks foar te kommen. Fansels lústere Ate mei in protte nocht en hij knikte begryplik mei syn heldere kikers. Ek de eagen fan it keal begûnen te kniperjen. De twadde flesse rûn op syn ein en meastentiids komt sa‘n kealtsje troch de bikarbonaat dy’t dêryn sit ynienen folle mear wer by sûpe en stút. Dat wie in goed teken! Ik keppele de slang los, joech it keal noch twa spuitjes medisinen troch de nuddel yn it bloed en treau dy doe wer yn de hâlder dy’t ik noch hyltiten tusken myn kiezen sitten hie. Tegearre stuollen wy it slachtoffer yn sithâlding yn it strie omheech en it keal begûn daliks wakker helderder om him hinne te koekeloeren. Dat like d’r op! Ik bespruts de neisoarch mei de boer en liet noch wat guod achter. Doe’t alles wer yn de auto siet, stie de hiele húshâlding achter op it hiem my tankber út te swaaien. Myn lêste boadskip foar’t ik ynstapte: ‘En do wist it, Ate, goed dyn bêst dwaan op skoalle, jonge!’ Hij knikte oertsjûgjend.

Oktober 2019

Wrafke – Sin

Myn namme is noch immer Afke, folút Afke fan it Fryske Wetterlân. Ik bin in Labrador fan it jachtsoartich slach. Nea haw ik in min sin; ik bin nammentlik wakker fleurich fan aard. Ik bin sljocht op trene mei de Frou. Kinsto my midden yn ‘e nachtkoes foar wekker meitsje! Dat wol net sizze dat myn stimming altiten gelyk is. Oer de dei sjoen kin dat like goed fariearje as by minsken. Mar dat wol dyselde minsken faaks net oan. Nim no bygelyks it iten. Jou in Labrador wat yn syn hûnebak en hy fret it daliks op. At it no te fretten is as net. Ikke net. Ik yt allinne at ik d’r ferlet fan haw. Sa net, dan lit ik it grif stean. Myn baaskes moasten dêr bot oan wenne. Sy wiene daliks ûngerêst at ik myn itensbak in heale dei net oanrekke. Hiel oars is dat as ik bliid bin. Dan moat ik earne wat yn ‘e bek hawwe. Sa haw ik in trijetal krûpbisten, ‘knuffels’ neame myn bazen dat. Myn favoryt is Gnoarreke, in barchje mei in ûnbidich lange krolsturt. At d’r oanrin komt, begroetsje ik dyjinge steefêst mei Gnoarreke yn myn waffeltsje. Eltsenien fernuvert him deroer dat it bistke, en mei nammen syn sturt, hiel bliuwt. Fansels! Ik haw in sêfte bek. In jachthûn mei it wyld ommers ek net ferropje! Dochs hawwe se my te pakken hân. Ik liet mei it apportearjen de dummy’s te gau los. Smiet se Frou foar de fuotten. Dat mocht net fan Âldbaas Pyt. Om my dat ôf te learen wie it better dat Gnoarreke ‘op fekânsje gie’. Dat waard alhiel yn sêne set mei kofferke en al, saneamd nei ‘Skylge’ ta. No, dat hawwe se witten! Ik krige dêr net in min sin fan, mar waard suver swiermoedich. Ik tink dat ik my krektlyk fielde as Frou doe’t ik net mear mei har mei mocht nei it sprêkoere ta. Noch gjin twa wike letter wie Gnoarreke wosken en al wer werom. En se wolle it wol litte om him wer ôf te pakken. Koartlyn binne we sels wer nei Skylge west en dan triuw ik Gnoarreke as earste yn myn reistas. En no’t wy it d’r dochs oer hawwe, ik mei stomme graach mei op fekânsje gean. Wy troffen ek noch ris prachtich waar en sadwaande wiene wy de hiele dei op ‘e sweef it eilân oer.

Troch de bosken strúne, oer it strân dwale en yn ‘e see swimme mei Baas. Geweldich fyn ik dat! Ik mei oerol mei hinne! En as d’r wat bard? Ik bin net sa gau fan’t hynder, hear. Sa sieten wy bygelyks by ‘Storm’ op it terras. Wy hiene krekt allegeare te drinken krigen. Ik hiel attint yn in hûnepanne en myn beide baaskes krigen beide sa’n grutte faas giel huppeltsjewetter mei skom foar harren te stean. Frou moast lyk as altyd efkes nei’t húske ta en hie my oan de tafelpoat fêstbûn, mei ynstruksjes oan Baas om op my te passen. Dat is alhiel net nedich, ik jou my wol del. Doe’t se wer werom kaam krige Baas it yn ‘e holle in kykje te meitsjen fan Frou en my tegearre op dat terras mei dy lompe fjoertoer op de eftergrûn. Nijsgjirrich wêr’t hy bedarre dikere ik him nei om ‘e stoel hinne en luts sadwaande justjes myn line oan de tafelpoat strak. Dat koenen dy beide faaskes op it taffeltsje net ferneare en dy nukten om. Dêr waard ik efkes sa kjel fan dat  ik dy hiele tafel om skuorde fan it terras ôf de strjitte oer. Dat joech in konsternaasje! Glês, reau, tafelplant en piper & sâltlokje, de hiele brot lei yn diggels oer de wrâld. Ik moat bylje dat Baas & Frou dêr mear lêst fan hiene as ik. En mar omtsiere dat ik net oan de tafelpoat fêstbûn wurde moatten hie. De beide froulju fan de betsjinning hiene rap de saak opromme en gelyk nije faaskes huppeltsjewetter ynskonken. Wol spitich dat Baas yn dy alteraasje dít barren net mei syn kykdoaze fêstlein hat, wylst er de hiele dei mei dat ding yn ‘e oanslach stiet… Sels bin ik lykwols net gau fan ’t sintrum.

Frou fynt my wolris wat ûndogensk. Dat ik bygelyks net lústerje at sy my ropt. Ja, duh, at ik op ‘e sneup bin en hast in mûs te pakken haw, dan kin ik dy dochs net slûpe litte? Eins hear ik har dan net iens. Ik bin krektlyk as Baas, dy kin ek mar ien ding tagelyk!

Ik haw in stabyl moed en bin dus meastentiids fleurich. Mar ik kin ek ferskuorrend út de skroeven wêze! Fral at d’r besite komt. Bygelyks famylje of goeie kunde fan myn baaskes. Ik reitsje hielendal optein at sy in soartgenoat meinimme dêr ’t ik mei boartsje kin. Lekker troch de tún rauze en hûntheie. Hearlik! Dan wit ik betiden net mear fan ophâlden. Op soksoarte mominten lûk ik in sprintsje en giselje yn ‘e rûnte oan ’t ik suver op apegapen liz… Sa kaam op Skylge Puck in dei lâns. Puck is in jonge swarte teef fan it itselde laach as my. Geweldich, wat in wille hawwe wy hân. Mei-inoar trene, boartsje en oer it strân fleane. Grutter deugd kinne se my net dwaan. Benijd at ik ite wol nei sa’n dei? No, dêr haw ik dan wol sin oan! Net fierder trochbylje, hear, mar faaks krij ik d’r ek noch wat op ta fan Baas…

Septimber 2019

Peanuts

Afgelopen zaterdag ontmoette ik op de Leeuwarder Nieuwestad een oude bekende in zijn natuurlijke habitat: een luxe marktkraam met de welluidende naam Pi-Nuts. Al twintig jaar staat hij op markten in Noord Holland en Friesland bekend als dé notenspecialist met een enorm gevarieerd assortiment van ambachtelijke kwaliteit. Ik schudde hem de hand en zag aan zijn gezicht dat hij zich suf piekerde met wie hij het genoegen had . George, Sjors voor intimi, herkende mij zeker wel, maar ik moest hem helpen. Niet zo gek, want het was alweer ruim anderhalf jaar geleden dat we elkaar eerder zagen…


Het was al een enerverende vrijdag geweest. De hele ochtend tussen de koeien. Alleen ruim een kwartier lunchpauze en daarna een druk spreekuur. Vervolgens een teamvergadering met aansluitend weer een uitlopend spreekuur. Dat was nog niet afgelopen of er dienden zich nog een drietal visites aan. Eentje daarvan nam ik voor mijn rekening: een verlossing van een vaars. De boer zat met z’n gezin aan de warme maaltijd toen ik arriveerde. Samen met de pindaboer van over de afsluitdijk. Sjors staat zowel vrijdag als zaterdag op de markt in Leeuwarden en overnacht dan met zijn grote kraam op het erf in Bitgummole. De boerin stond voorheen ook op de markt en zo is de connectie ontstaan. Op vrijdagavond kookt Sjors zelfs geregeld voor het hele gezin: ‘het is maar net wie het eerst in de keuken is’. Het nagerecht werd onderbroken en met z’n allen togen we naar de afkalfstal. Daar kwam ik al snel tot de conclusie dat het keizersnede moest worden. Het kalfje leefde helaas niet meer en er was veel te weinig ontsluiting. Maar ik voorzag dat die er ook niet meer zou komen en dus werd alles met vereende krachten voor de operatie in gereedheid gebracht. De boer hield de vaars bij het halster vast, de boerin was mijn operatieassistente, de jeugd haalde een tafel en schoon water en de rap van de tongriem gesneden marktkoopman diende ik van repliek door hem de ‘operatielamp’ te laten vasthouden. ‘Eigenlijk sta je nu voor paal, Sjors!’ Gelukkig kon hij het bloederige tafereel goed velen. Natuurlijk, want hij was er ook gewoon bij gebleven toen zijn bloedeigen dochtertje met keizersnede werd gehaald. De tijd vloog om, want het gesprek stokte geen moment. Toen de wond weer netjes gesloten was en de vaars lekker stond te vreten, blij dat ze was verlost van haar vracht, verplaatste het hele gezelschap zich terug naar de keuken voor een bakje koffie. Waarom er nu plots kopjes met schotels werden volgeschonken in plaats van de gebruikelijke mokken, vroeg dochterlief. Nou, dat was omdat de bistedokter aan tafel zat, bitste moeders haar toe. ‘Fansels!’ Daarna mocht ik van Sjors nog even een blik in zijn prachtige marktwagen werpen. Van welke noten ik zelf hield? En zo kreeg ik een drietal zakjes uit de gevarieerde voorraad mee naar huis. En die mocht ik pertinent niet betalen. Als wederdienst voor de onvergetelijke ervaring van die avond. ‘Maar je hebt me zelfs geholpen’, wierp ik tegen. Nou ja, dat was peanuts…

Augustus 2019

Vamos de vacaciones!

Twintig jaar geleden had ik nooit kunnen bevroeden dat ik zo graag naar Spanje op vakantie zou gaan. Wars van massa en hitte dat ik ben. Toch kreeg ik de smaak te pakken. Je moet alleen de juiste plekken zien te vinden! Tien jaar geleden beschreef ik al eens uitgebreid in een ‘kerstbistedokter’ (Vamos al acuario) onze vakantiebelevenissen in het Spaansche aan de Oranjebloesemkust. Over de waterfauna, een behoorlijke uitstap van mijn dagelijkse bistedoktersactiviteit, in het algemeen en het ‘snorkelparadijs’ langs de bovengenoemde Spaanse Costa in het bijzonder. Dat was de afgelopen zomer weer één van de reisdoelen van mijn lief en mij.

Maar eerst gingen we naar Madrid. Hadden we het mondaine en supertoeristische Barcelona vier jaar geleden al eens bezocht, nu was de hoofdstad aan de beurt! Madrid is niet eens een hele oude stad. Het zestig km zuidelijker gelegen Toledo is veel ouder en was vroeger de  residentievan Spanje. Maar de stad heeft enorm sfeer en is ontegenzeglijk ‘Spaanser’ dan de evenknie in Catalonië. En opvallend: het is een van de groenste metropolen ter wereld. En dat verwacht je niet. We merkten dat er beter met huisdieren wordt omgegaan dan we eerder wel meegemaakt hebben. Zo hebben we ooit op een verlaten parkeerterrein in een kartonnen doos een levend nest ongewenste puppy’s aangetroffen. Ik zal niet beweren dat zoiets nu niet meer voorkomt, maar we zagen zelfs een heus hondenklasje  in het grote stads-Parque del Retiro in actie. Waar overigens menig Madrileen zijn hond uitlaat of daar samen mee loopt te joggen. Of dat laatste wel verstandig is voor baas en hond in de warme zomermaanden laat ik maar in het midden.

De ‘gevaarlijke’ honden dienen overigens een muilkorf te dragen in Spanje. We zagen dat daar breed gehoor aan gegeven wordt door getatoeëerde baasjes met hun pittbullachtigen. Verder zagen we veel zwerfhonden. En dan bedoel ik geen loslopende scharminkels, doch zwervers die samen met hun viervoeter op de stoep lopen, zitten of liggen te bedelen. Frappant is de goede conditie waarin die ‘straathonden’ verkeren. Getuige de foto waar een dakloze samen met twee (!) honden onder een parasol bivakkeert, met elk een eigen voorraadzak brokjes!

Na vier dagen waren we de drukte van de hoofdstad beu en togen we naar een dorpje vlakbij de kust om bij hele goede vrienden tot rust te komen.  Wandelen, zwemmen, lezen, lekker eten en heel veel gezellige gesprekken wisselden elkaar af. Maar ook had ik me heel erg verheugd om bij de kaap van de Heilige Marten weer een snorkelduik te kunnen nemen om de prachtige Mediterrane onderwaterwereld te bewonderen. Dat liep helaas uit op een enorme deceptie. Zelfs tot vier jaar terug waande ik me daar in een zeeaquarium in het kwadraat met een grandioze variatie aan zee-flora en fauna. Vissen in allerlei kleuren en formaten zwommen om me heen en de rotsbodem lag er bezaaid met wier, anemonen, zee-egels en dito sterren. Ik las onlangs dat de Middellandse Zee enorm aan het vervuilen is, maar dat ook hier de biodiversiteit zo rap zou verschralen? Het kwam bij mij binnen als een geweldige schok. De begroeiing is verdwenen en slechts een enkele vis schiet schichtig voor me weg. Om mij heen dwarrelen stukken plastic en troep. Ook hier dus… En ik ben er zelf mede debet aan. Hadden we niet het vliegtuig genomen naar Madrid? Het drukt je opnieuw met de neus op de feiten dat de wereld in rap tempo naar de ratsmodee gaat door overbevolking, vervuiling en klimaatverandering.

Verander de wereld, maar begin bij jezelf. We hebben ons huis laten isoleren en er liggen zonnepanelen op het dak. We ondersteunen de dorpsmolen en we eten wat minder vlees. We scheiden ons afval en in de tuin staan zoveel mogelijk vlinderstruiken en ander bloeiend spul. Bovendien maai ik het gazon minder vaak en minder kort. Het gras is daardoor met die warme zomer groener en er huizen ontegenzeggelijk veel meer insecten in. De schapenweide achter ons huis is ingezaaid met een speciaal zaadmengsel om de monotonie te doorbreken. En onze volgende vakantie is gewoon weer naar Skylge. Of dat allemaal genoeg is? Of het wel op tijd is? Tja, als we gaan zitten somberen komt het glas nooit meer halfvol…

Augustus 2019

Het muizenvangertje

Als kitten van net acht weken oud kwam Maaike pro Deo terecht op een boerderij in Raerd. Een beetje voor de gezelligheid, maar bovenal om muizen te vangen. En die zijn er volop dit jaar! Dus kon Maaike meteen flink aan de slag. Maar vanaf het begin liep het niet zo lekker met haar. Die eerste muizen ving ze met verve, maar ze kon ze niet verwerken. Ook de brokjes die ze voorgeschoteld kreeg kwamen er geregeld weer uit. Dat ging van kwaad tot erger zodat ze bij Anneke op ons spreekuur terecht kwam. Er was overduidelijk een bolletje in de maagstreek te voelen en de röntgenfoto bevestigde dat er een rond voorwerp in haar maagje zat. Via een niet nader te specificeren afspraak die ik volledig aan de fantasie van de lezer overlaat, belandde Maaike op de operatietafel. Anneke verwijderde vakkundig een klein stuiterballetje uit het maagje van de kleine hummel en nam Maaike zelfs onder haar hoede mee naar huis om de beste zorg binnen haar eigen gezin te waarborgen. Het muizenvangertje herstelde uiterst voorspoedig! Na een paar dagen mocht ze haar rentree op de boerderij maken. Maar onder strenge voorwaarden. Naast heel veel liefde mocht ze slechts mondjesmaat kleine hapjes licht verteerbare kost tot zich nemen, het liefst goed verdeeld over de dag. Haar maagje mocht immers niet overbelast raken, want daar zaten nog hechtingen in. Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Zolang ze nog opgesloten zat wel, maar al snel was daar geen houden meer aan. Het gevolg was dat het hele boerengezin Maaike in de gaten moest houden. Zodra ze weer een muis had gevangen, werd haar deze vakkundig afhandig gemaakt. Dit zeer tegen de zin van de kleine poes. De grimas op het koppie op de foto spreekt boekdelen! En anders de bromgeluiden die ze daarbij maakte wel.

Toen ik de afgelopen week het bedrijf weer even bezocht in het kader van het grootvee, mocht ik meegenieten van haar fratsen. Ze is ondertussen volledig hersteld en hard op weg een grote poes te worden. Met dank aan mijn collega! Alleen de muizen zijn absoluut niet blij… En ik? Het gebeurde in mijn vakantie en ik mocht het eigenlijk niet weten. ‘Want dan zou ik er vast een verhaal over schrijven’. Tja, hou het maar eens geheim voor de bistedokter…

Augustus 2019 

Dyslexie

Jaren geleden hing er een in het oog springende poster in de spreekkamer in de oude praktijk in Reduzum. Deze plaat had als doel een prima oogzalf te promoten voor diergeneeskundig gebruik en leek sprekend op de letterkaart met steeds kleiner ogende lettergroottes die opticiens plachten te gebruiken bij het testen van iemands gezichtsvermogen. ‘Wat heb je daar nou toch aan? Beesten kunnen immers niet lezen?’, was steevast het commentaar van onze clientèle.  Dieren konden het wellicht zien; doch uitlezen, begrijpen met als gevolg dat wij er daarna conclusies aan zouden kunnen verbinden was natuurlijk grote onzin. Een vermakelijk grapje van de farmaceut. Voor de mensheid is kunnen lezen een groot goed. Het heeft ons bijzonder veel gebracht. Het gaat de een wat beter af dan de ander, zo weet ik uit ervaring binnen ons eigen gezin. En wanneer je moeite hebt met taal, is dat een grote barrière in jouw ontwikkeling. De theorie is dat dyslexie zou kunnen worden veroorzaakt door verschil in ontwikkelingssnelheid van linker en rechter hersenhelft en bovendien door het niet optimaal verlopen van informatieverwerking. Ook al kunnen dieren niet lezen, ik zou me kunnen voorstellen dat een dergelijk fenomeen best bij dieren voor kan komen. Uiteraard is dat weinig wetenschappelijk en vooral speculatief. Neemt niet weg dat ik mezelf soms betrap op iets heel anders te lezen dan wat er in werkelijkheid staat. En dat heeft niets met dyslexie te maken. Maar je wordt erdoor soms zodanig op het verkeerde been gezet dat je zeer merkwaardige en onnavolgbare gedachtesprongen gaat maken. Zo las ik een artikel over ‘baden in terminale waterbron’. Over wat? Als je leest wat ik toen dacht te lezen, begrijp je waarschijnlijk de nare visioenen die ik op dat moment kreeg over een abrupt levenseinde tijdens een soort van giftige onderdompeling. Ik had de kop niet goed gelezen! Het stuk ging over thermaal bronwater…

Mijn vingers zijn soms wél dyslectisch. Ik heb nooit een typecursus gehad en moet me behelpen met het tweevingersysteem.  Het gebeurt geregeld dat er iets anders op het beeldscherm dan wel in de patiëntkaart verschijnt dan de bedoeling was. En niet zelden worden daarbij letters omgewisseld… Onze cliënten kunnen er helaas ook wat van. Meer dan mij lief is worden voorgeschreven therapieën niet juist uitgevoerd omdat de instructies domweg niet goed zijn gelezen. Medicijnen worden over- dan wel onder gedoseerd toegediend en missen daardoor soms het beoogde doel, of erger nog, werken contraproductief. Daarentegen is het juist komisch hoe termen en medicijnen soms heerlijk worden verhaspeld. Met het bestellen aan de balie van een ‘wormenkuurtje’ wordt natuurlijk een ontwormingsmiddel bedoeld om de inwendige parasieten om zeep te helpen. Veehouders kunnen er wat betreft ook wat van. Met een doosje ‘geboortecapsules’ of een emmertje ‘elektronenmix’ worden bijvoorbeeld respectievelijk nageboortepillen en elektrolytenpoeder aangeduid. Medicijnen krijgen soms de gekste benamingen. Maar de fraaiste in dat chapiter is wel van een boerin op leeftijd. Ze belde voor een flesje ‘peniseniele’. En ze had er werkelijk geen idee van wat ze zojuist had gezegd als je dat met een beetje fantasie letterlijk vanuit het latijn vertaalt…

Juli 2019

Is deze aalscholver dyslectisch of gewoon in overtreding?






Stapelen

De mondiale overbevolking heeft er toe geleid dat wij gewend zijn ons steeds dichter bij elkaar te huisvesten. Zo dijden dorpen uit tot stadjes en steden vervolgens tot metropolen. En als we niet meer naast elkaar kunnen wonen, dan doen we dat wel boven elkaar in flatgebouwen. In de dierenwereld komt eenzelfde fenomeen voor, maar daar is niet de overbezetting het motief om kolonies of kuddes te vormen. Meestal biedt de groep een grotere kans op overleven tegen een gezamenlijke vijand. Ik ben er nog niet helemaal uit wat de voornaamste drijfveer van het ‘stapelen’ van de nesten bij ons in de wilg aan de vijver is. Die plas achter ons huis wordt namelijk steeds geliefder bij het gevogelte. Vorig jaar broedden er een meerkoet, een zwaan en een waterhoentje. En in de korven in de wilgen diverse eenden en zelfs een duif. Het zwanenpaar keerde dit voorjaar prompt terug en kreeg gezelschap van een drietal meerkoetechtelieden. De korven maakten plaats voor ouwe melkbussen die weer onmiddellijk werden bezet door de eenden. Nu staan meerkoeten erom bekend zich redelijk agressief te gedragen. Ze torpederen alles wat maar in de buurt van het nest dreigt te komen. Wellicht was er voor de waterhoenen daardoor geen plek meer in de rietkraag en moesten ze uitwijken. Wat te doen? Tot mijn verbazing werd er ín de wilg een souterrainnest gemaakt ónder de melkbus met een broedende eend. Een bijzonder grappig tafereel. Moedereend heeft intussen met haar kroost de bus verlaten. Ben benieuwd wanneer de hoentjes het levenslicht zullen zien. Overigens: niet alleen nesten worden gestapeld in onze vijver, er is ook een meerkoet die haar vierde ei óp de andere drie had gelegd.  En nee, ik heb daar niet de hand in gehad! Mooi toch, hoe de natuur ons blijft verrassen.

Juni 2019

Inspiratie

Het is maandagochtend en ik ben net terug van een weekje Vlieland met vrouwlief en onze hond Afke. Altijd weer een prachtige belevenis die een vracht aan puike foto’s oplevert, waarvan er altijd eentje een tijdje het beeldscherm van mijn pc domineert of op de jaarkalender eindigt om de herinnering levend te houden. Is het niet een spelende hond op het strand met een dreigende lucht op de achtergrond, dan wel een fraai shot van een lepelaar in de vlucht. Even weg van de dagelijkse drukte die vandaag weer losbarst. Al voor achten sta ik tussen de koeien op de scan te koekeloeren of de dames in blijde verwachting zijn. Daarna rijgen de afspraken zich aaneen op een druk spreekuur dat halverwege de middag even dreigt te ontsporen omdat er ook nog steeds enkele baasjes binnendruppelen die zich op een open spreekuur wanen. En net als de wachtkamer weer een beetje als vanouds gevuld is belt er een geschrokken kattenliefhebber dat haar Pander een ongeluk heeft gehad en een pootje mist. Natuurlijk mag die eerst: kom maar gauw! Samen met collega Thijs inspecteer ik het arme dier. Het ongeluk laat zich snel herleiden tot de activiteiten van fraaie voorjaarsweer van vandaag: het beest moet slachtoffer zijn geworden van een cyclomaaier tijdens zijn muizenjacht door de velden. De ene achterpoot is vlak boven de hak totaal verdwenen en het linker voorpootje ligt open tot op het bot. Het voorpootje lijkt nog wel te redden. Op drie pootjes kan een kat goed verder, op twee zou het uiteraard hopeloos zijn. De balans: de voorpoot hechten en achter amputeren tot boven de knie. We nemen het dier in de opname en maken eerst samen het spreekuur af. Daarna buigen we ons gezamenlijk over het slachtoffertje.

Rond acht uur in de avond zet ik de laatste hechtingen en leg ik het onfortuinlijke patiëntje op een lekker verwarmd bedje in een opnamekooi. Ik breng de eigenares telefonisch op de hoogte van de situatie en zeg dat ik een slag om de arm houd omtrent de prognose, maar dat de kater zeker een kans maakt. Ruim de OK op en keer huiswaarts voor een lekker opgewarmde prak van mijn eega. Mijn werkdag is inmiddels het klokje rond en van mij mag de dienst verder rustig verlopen…

Pas de volgende ochtend om zeven uur gaat de telefoon weer: koekalverij bij de overbuurman. Ik ben dus vlot ter plaatse. Het kalf ligt in stuit met de beide achterbeentjes naar voren en ik voel slechts een staart. Voorzichtig haal ik één voor één de pootjes erbij en rek ik vervolgens de schede wat op alvorens we het kalf samen ter wereld helpen. Snakkend naar adem dreigt het kalf te smoren in het vruchtwaterslijm dat de luchtwegen blokkeert en met vereende krachten til ik rap samen met de boer het kalf op de kop over een hek. Het slijm loopt met stromen uit de bek en ik masseer neus en bek vrij van het kleverige goedje. Gaandeweg leveren de inspiraties een steeds beter resultaat op en kunnen de longen zich ontplooien. We laten het kalf vervolgens weer op de grond zakken en slepen het voor het moederdier. Dat begint haar pasgeborene kwiek met haar tong te bewerken. Het kalf richt daarop de kop op en met voldoening aanschouw ik samen met mijn overbuurman het tafereel. Wij hebben nog precies op tijd hulp kunnen bieden en het kalf voor een akelige dood kunnen behoeden.

Na een jachtig ontbijtje rep ik mij naar de praktijk. Hoe zou de operatiepatiënt het maken? Nieuwsgierig tuur ik alvast door het raam van de opname. Thijs zit de driepoot met goed gevolg te voeren en steekt de duim omhoog als ie mij naar binnen ziet gluren. Fijn! Dan vul ik snel mijn auto aan voor de volgende visite. Er dient een hele veestapel van ruim 200 dieren gevaccineerd te worden om deze tegen de koeiengriep te beschermen. De veehouder had al gebeld of ik niet wat eerder kon komen. Hij moet immers ook kuilen… Als ik in de auto stap herinner ik mezelf aan het feit waarom ik dit vak zo mooi vind. Welk beroep biedt zoveel variatie en voldoening? En zozeer inspiratie om bistedokters te kunnen schrijven? Zo ben ik dus binnen 24 uur terug in de hectiek van alle dag en de vakantie alweer bijna vergeten. Gelukkig hebben we de foto’s nog!

Mei 2019

Supertrio

Boeren liggen geregeld onder vuur. Is het niet de ‘landschapspijn’, dan is het wel de regelgeving waaronder ze gebukt gaan. Zeer recentelijk nog de ‘kalversterfte’ in de melkveehouderij. Omstandigheden spelen daarin de grootste rol. Vergelijk het met babysterfte: als je in Afrika wordt geboren is jouw overlevingskans minimaal tien keer slechter dan in Nederland. Zeker, de kalveropfok was nogal eens een ondergeschoven kindje op de boerderij. Immers, de verdienste wordt vooral met het melken gescoord. Maar de meeste boeren zijn ondertussen wel degelijk doordrongen van het feit dat je de ‘opvolgers’ van jouw huidige veestapel moet koesteren omdat een goede start van een koekalf zich later laat vertalen naar een betere melkgift bij de volwassen koe. Dat laat onverlet dat de meeste boeren weinig energie steken in een afwijkend of te vroeg geboren kalfje, omdat het weinig kans maakt de mesterij te halen, laat staan ooit een volwassen koe te worden. Zoals zo vaak; uitzonderingen bevestigen echter ook hier de regel!

Wierd werkt op de boerderij van Ids. Inderdaad, de schaatser. Wierd was een beetje verbaasd, want de koe die aan het kalven was, was nog helemaal niet aan de tijd om dat te doen. Meer dan een maand te vroeg. De verbazing werd allengs groter omdat het kalfje nagenoeg probleemloos uit de moederkoe floepte. Hij ving het op en zag dat het onmiddellijk goed begon te ademen en kraakhelder uit de oogjes keek. In de reguliere kalverbox zou dit onderdeurtje van amper 15 kg wellicht het onderspit moeten delven dus besloot Wierd het koekalfje mee naar huis te nemen. Na een flinke slok biest belandde het in de kofferbak.

Thuis gekomen ontfermde de kloeke stabij Nynke zich samen met haar baas over ‘Femke’, zoals het kalfje werd vernoemd naar de toenmalige ‘scharrel’ van de boerenknecht. Nynke kon uitstekend haar moedergevoelens botvieren op Femke. Ze liet haar tepels zelf aflebberen, maar kon uiteraard niet plotsklaps voor melk zorgen. Dat kon Wierd wel: viermaal daags kreeg het dappere koekalf de fles en zienderogen groeide ze. Na ruim een maand had ze vrijwel het normale geboortegewicht van een klein, pasgeboren kalfje. De woonkamer maakte plaats voor de tuin, waarin ze samen met Nynke dartelde.

Uit voorzorg had ze nog steeds geen oormerken gekregen; de kans was immers vrij groot dat ze het niet zou redden. Maar nu durfde Wierd die stap ook wel te nemen. Ze kreeg oornummer 5115 en werd meteen officieel geregistreerd. Onderhand werd het tijd dat ze naar de jongveestal vertrok om te socialiseren. Eerst in het schapenhok en later ook met soortgenoten. Stel je voor, ze zou immers in een enorme identiteitscrisis gestort worden als ze maar bleef denken dat ze een pup was…

Dit voorval gebeurde ruim 2,5 jaar geleden. Bij de laatste drachtcontrole de afgelopen maand kreeg ik Femke aangeboden. Ze is altijd een kleine koe gebleven, maar geeft desondanks ruim 30 liter melk per dag! Een zeer efficiënt melkkoetje voor Ids. Met grote dank aan Wierd en Nynke. Tezamen met Femke vormden ze een uniek trio. Wierd doet mij dit relaas op de hem kenmerkende manier met een zweem van onverschilligheid, maar hij zou het best met wat meer trots mogen vertellen. Het mag namelijk verteld worden, zeker indachtig de aanvang van deze bistedokter. Sterker nog: het móet verteld worden! Of Femke drachtig was? Uiteraard, dat laat zich raden! Waarschijnlijk heeft Wierd haar zelf geïnsemineerd. En Nynke? Die speelt momenteel met een pasgeboren geitje in de tuin.

April 2019

Wrafke – Moaie dei

Fansels hie‘k al lang yn ‘e noasters dat it net goed gie mei dy ‘âlde Swarte’, Aïcha. Sy siet al yn har Fyftjinde (!) libbensjier, mar se wie noch sá geef mei har fjoer fan in rjochtaarde jachthûn. Jawis, krebintich troch in fersliten rêch, mar dêr joech Baas har pillen foar. Ferline hjerst hat dyselde Baas har noch twaris ûnder it mes hân om frjemde bulten fan har liif fuort te heljen en dat hat se geweldich goed trochstien. Fan ‘e wike hat se wer mei Frou en Baas nei de bistedokterspraktyk west. Doe’t se thús kamen wienen de gesichten fertrietlik. Aïcha wie ek fan’t hynder, mar dat wie se lykwols altyd at se nei de praktyk west wie. Ik snúfde de rook fan minsken oan har dy’t ik net rjocht thúsbringe koe, mar fernaam oan Frou har praat dat se by dyjinge west wiene der’t Aicha har puppetiid trochbrocht hat. Om ôfskie te nimmen, koe‘k begripe. Eltse dei dernei giene wy nei in plakje te kuierjen wer’t wy wolris earder west wiene en op woansdei binne wy sels meienoar nei myn ferneamde jachtoefenmasterin yn Harich west. Aïcha moat fan Anjolien alles leard hawwe wat ik no mei safolle nocht opdoch. Mar Anjolien beweart ek fan Aïcha in bulte leard te hawwen. Wat wiene dy twa seldsum bliid mekoar wer te sjen! Ik haw dy  âlde Swarte noch nea sa út de skroeven sjoen… Oandwaanlik! En se hat by eintsjebeslút ek noch twa kear in dummy-ein apperteard. Net te fier fuort, hear. De dei dernei moast se dat lykwols ferskuorrend belije. Se wie út ‘e liken, moast hyltyd mear koarje, mar woe en koe dochs noch wol lekker ite. Dat skynt se har hiele libben graach dwaan mocht te hawwen. Wat dat oanbelanget: in echte Labrador. Kin ik noch wat fan leare, om’t ik noch wolris in miel oerslaan wol…

De dagen dernei gie it wer in lyts bytsje better, mar wol waard dy ‘âlde’ hyltiten koartamiger. Se doarde somtiden net mear lizzen te gean en stie dan mei de sturt tusken de poaten yn har helpleazens om har hinne te sjen. De hiele dei troch kamen Baas, Frou en de jonges omste beurten har treaste en oanhelje. Ik liet har safolle mooglik mar gewurde, at se it lykwols ferneare koe, slikke ik har om ‘e bek. Op dy bewuste sneintemiddei wie it fertriet hast net mear te hurdzjen. Mei syn allen giene wy nei bûten ta en bedarren we op it stalt by de fiver. Aïcha hime en sette grutte eagen op, dochs liet har berêstend dêrhinne dirigearje. Eltsenien socht in plakje om har hinne en sei gjin wurd. De sinne skynde folop en yn it fjild efter hûs makken fûgels kabaal as op in moaie maitiidsdei, sa ûnwerklik midden yn febrewaris. Baas pakte in foarpoat fan Aïcha, die dêr in bântsje om en knipte har hier fuort oan’t op har hûd. Doe pakte hy in spuit mei blau guod deryn en ik seach dat hy dy stadichoan leech drukte yn de bloedier fan har poat. Net earder haw ik safolle triennen floeien sjoen wylst dy âlde Swarte stadichoan dochs wis belies joech en har kop yn de earmen fan Frou del lei. Súntsjeswei siigde har swarte liif ûnderút en stoar it ljocht út har eagen wei. Wat in grut fertriet op dizze prachtige dei. In skoft hawwe Frou, Baas en de lytsbazen dêr ferslein by sitten. Doe  seach ik Baas twa skeppen ophelje en mocht ik har noch ienris besnuve. Dêrnei moast ik yn ‘e hûs.

Letter op ‘e middei hie‘k om ‘e bliksem wol yn ‘e rekken wêr dy âlde Swarte bedarre wie: efter yn ‘e tún by de feart stiene trije grutte reidplommen yn de grûn njonken in bultsje mei houtsnippers dêr oerhinne. Ik stuts myn snuffert daliks yn dy snippers en koe wier de rook fan har noch wol in lyts bytsje opsnúve. Fierders haw ik dat plak net beruorre, mar Aïcha moat dêr bedobbe wêze. De beide grouwe tûken dy’t Baas d’r krúslings op lein hie haw ik al fuorttôge. Dy wiene te moai om net mei te boartsjen. Ûnderwilens gie de sinne ûnder en kleure de himel rôsread; wat in moaie dei, sa foar de dea.

De dagen dêrnei fûn ik it stil yn ‘e hûs. Ik koe út wol fjouwer hûnekuorren kieze om yn te sliepen: twa yn ‘e gong en twa yn ‘e húskeamer. Dat fielde nuver. Ik wie suver bliid dat Baas opromming hold. Ik mis dy âlde net echt, sy wie ommers altyd sa op harsels. Mar ik haw wol in ferskuorrend protte fan Aïcha leard. De hûnetaal noch it measte. Hoe’sto mei in lytse feroaring fan hâlding sjen litte kinst hoe‘sto tsjinoer in soartgenoat stiest, sûnder ek mar te byljen of te grommeljen. Want dat kin ommers altyd noch wol. It is ferdraaide spitich dat safolle hûnen, mar ek guon minsken, dy hûnetaal net by machte binne.

Febrewaris 2019

Wrafke – Frutsel

Doe’t Baas fan ‘e moarn ûnder kaam en my nei bûten litte soe, fielde ik mysels sa ferskuorrend modzich. Hy moast my suver wekker meitsje, sa sleau en moalich wie’k. Baas kin dat hiel fynfielend. Hy begjint my earst ûnder myn strôtsje te kardzjen en dan rek ik my út, draai ik mysels stadichoan op ‘e rêch, en dêrnei tysket er my oer myn búkje. Dat lit ik sa lang mooglik mei de eagen ticht gewurde om’t er my eins gjin grutter deugd dwaan kin! Mei in protte muoite rôle‘k op myn poatsjes werom en gappe wiidbekkich. En dat wylst ik fan ‘e wike krekt de hiele wrâld wol oan koe. Doe haw ik sa hearlik traind mei Frou. Ik speurde as in spear en appertearre as ‘t spoar. Ik haw alle dummys prompt fûn en fuortdaliks by Frou brocht. Och, wat wie se grutsk op har lytse mokkeltsje! Sels de jachtoefenmasterin wie optein. Ik begryp dus neat fan dy lamliddichheid . Bin wier net siik of sa mar ik kin wol in gat yn ‘e dei sliepe… Dochs mar efkes yn ‘t waar sjoen en dernei krige ik, krekt lyk as eltse moarn, iten fan Baas. Hie’k sljocht gjin sin oan. Ik haw him oansjoen en doe begûn Baas te skodholjen: ‘dan mar net, Afke…’ Hy seach wat sneu om’t ik in bytsje jierdei bin. Ik bin hjoed sekuer acht moanne âld.

Geandewei de dei gie it wat better. Frou lit my wat letter op ‘e moarn lekker lang út en dan kin ik wat omsneupe en snaaie. Frâl yn smoargens. Frou fynt my mar in fyske; ik mei dat lykwols ferskuorrend graach dwaan. Wurd dêr ek sa roppich fan dat ik thús daliks de hiele bak wol leechfrette kin! Somtiden moat ik dernei wer koarje, bynammen as ik tefolle woartelstôkken út it heakelguod fandele haw. Hjoed net en dus haw ik hearlik myn bak leechfretten. Ienris wer yn myn hûnekourke skrok ik sa ôfgryslik dat it hier my dwers op ‘e sturtbonke stie. D’r leine farske drippen bloed op it kleed! Wêr kamen die yn ‘e goedichheid wei? En net allinne op myn kleed, se leine ek rûnom op ‘e flier. It fielde boppedat krekt of ik myn miichsel net goed ophâlde koe. Ik dus wakker oan myn frutsel sneupe om te sjen wat dêr te rêden wie. Hie al murken dat dy de ôfrûne dagen stadichoan opswollen rekke wie. Suver in gleie prom. Jawis! Dêr kaam it wei. Net bêst… Daliks alles opslikje fansels en de flier skjin ljepke mei myn mûldweiltsje. En mar prakkesearje. Soe dit dan wêze wat de frou fan Pelle okkerdeis oppere? Pelle sit ek by ús op jachttraining en soe neffens har syn earste ‘wiete dream’ hân hawwe. No, Monty wie dêr noch hielendal net oan ta, andere dy oare baas doe. En ik seach dat hy syn spytgnyskjen nei Frou suver net ynhâlde koe wylst er dat sei. Mar Pelle en Monty binne reukes en ik bin in wyfke. Ik haw d’r gjin idee by hokker ‘dreamen’ my te wachtsjen steane. Op dat stuit kaam Frou wer yn ‘e keamer en sy seach my drok dwaande mei myn lape. Se dikere de flier oer en rekke suver oerémis: ‘Afke wurdt in grutte faam!’, rôp se út. Se nodde my leafdefol en dat joech my it gefoel dat ik gjin noed hawwe moast. Frou brocht Baas gau op ‘e hichte. Se sei him dat se ‘t al in pear dagen oankommen sjoen hie. It sil by it folwoeksen wurden hearre, sa moast ik hjirút wol begnuve…

Twa dagen letter is it floeien noch folle slimmer: myn doaske is no sa lek as in tjems! Dochs mei ik mei nei de training ta. Myn stimming is sa ûngelikens as it waar en ik haw nearne nocht oan. Mar dy jachttraining wol ik fansels net slûpe litte, dan meitsje ik wol nocht! Frou siet d’r suver wat oer yn. Wat soene de reuen wol net útheve? Ik hearde har beljen om advys. Letter fentilearre se oan Baas dat neffens de oefenmasterin it just in geve útdaging foar de baaskes wêze soe dat harren hûnen har net ôfliede litte meie troch de hormoanen. Sa sette ik mei Frou dochs wer ôf nei de Súdwesthoeke.

It wie ûnlijich waar mei in kâlde wyn en winterske buien. Earst liet Frou my lang yn ‘e auto wachtsje, wylst de reuen wakker omfleane mochten. Lang om let gie de training los en mocht ik ek foar ‘t ljocht komme. No, dat soarge foar opskuor. Om syn beurten moasten de hearen oan myn frutsel snuve fansels. Dy grutte Flatcoat stuts sels syn hiele noas ûnder myn krús en gong mei my oan ‘e haal as wie ‘k in kroade! Sels haw ik mar in ‘krekt-as-neat-oan-‘e-hân-hâlding’ oannaam. Jawis, myn frutsel is grut, der rint wat út en ik bin wat min by de wurken. Duh! It soe wat, fierder neat loas, hear… Doe ‘t de reuen wer oan tou sieten en de opwining delbêde wie, mochten wy om bar in dummy troch de feart ophelje. Koe eltsenien moai ôfkuolje! It wetter wie desimberkâld, mar dat die my eins wol goed. Koe allinne dat kring earst net fine! Dernei diene wy in proefstik yn stânfêstigens. Dat kin ik tsjintwurdich poerbêst. Earder hie ‘k wolris striid mei Frou om’t ik wakker ungedurich wie. Dan baarnde it my yn om te wachtsjen oan ’t Frou it sinjaal jûn hie dat ik gean mocht. No, jimme kinne wol riede dat dy reuen harren sels net altiten yn ’e macht hiene. Se moasten hyltyd efkes by my lâns noaskje…

Dernei rekke ik mysels ek kwyt by it appertearjen. Koe neat fine, harke net nei en seach gjin ynstruksjes fan Frou. Lokkich wie se net boas. Is se lykwols hast nea hear, der net fan. Se stie mei in hândoek klear om my droech te wriuwen ear’t we wer ôfsetten nei hûs ta.

No liz ik wer lekker mudzich yn ‘e grutte koer fan dy âlde swarte. It leafst op ‘e rêch en ungesjeneard mei it frutsel omheech. Ooooh, wat fiel ik my ûnhuerich looooopsk. Om my mei it moarn wol wer oer wêze…(djippe,grommeljende sucht)

Jannewaris 2019

Maatje

Ik heb in het begin van mijn loopbaan eens een onvergeeflijke fout gemaakt. Het betrof een leuke Retriever van een jong stel. De baas en de vrouw wilden heel graag pups bij het teefje en dat lukte niet. Ook niet na een intensief begeleide hernieuwde dekking. Ik deed daar vrij luchtig over. Het is de natuur blijkbaar die het beter vindt van niet. Dat viel enorm verkeerd. Er was een onvervulde kinderwens en nu kon hun allerliefste maatje ook al geen pups krijgen. Een beetje meer compassie mijnerzijds zou op zijn plaats geweest zijn. Zo heb ik in de loop van de tijd geleerd hoe enorm belangrijk een huisdier voor mensen kan zijn. Uit eigen ervaring uiteraard, want ik weet wat een belangrijke plek de beesten in ons eigen gezin innemen. Net als bij mijn eigen moeder, zeker toen zij alleen overbleef. Wat vond ze het fijn dat er een kat zachtjes mauwend op haar zat te wachten  als ik haar weer thuis bracht in een verder stil huis. Wat is het niet een ramp voor oudere mensen als ze, hulpbehoevend als ze zijn, in een verzorgingshuis terecht komen en hun huisdier niet mee mogen nemen. Die onvoorwaardelijk trouwe metgezel die troost biedt op de momenten dat het nodig is. Bij jong en oud. Je vindt altijd een luisterend oor bij je dierbare viervoeter. Of dat nu een hamstertje, een poes of een grote Duitse Dog is, dat maakt allemaal niet uit. Je kunt je geheimen kwijt, je verdriet delen en je vreugde uiten. Ze zullen het in ieder geval nooit doorvertellen en zijn net zo droevig of guitig als waar de situatie om vraagt. Er zijn talloze onderzoeken die de positieve invloed aantonen die dieren op mensen kunnen hebben. Bij ziekte, eenzaamheid of gewoon in het dagelijks leven. Zonder dieren te vermenselijken. Dieren blijken, vaak onbewust, allerlei functies te vervullen in ons bestaan. Zowel voor de fysieke als geestelijke gezondheid. Onderzoek toont bijvoorbeeld aan dat mensen mét een hond na een hartinfarct een grotere overlevingskans hebben dan zonder! 

Nelleke heeft twee maatjes: een stoere labrador, Bolle en een paard, Jonas. Die twee zijn niet alleen haar eigenste maatjes; Nelleke gebruikt de beide viervoeters tevens in haar praktijk voor therapie, coaching en training. Voor mensen die een steuntje inde rug nodig hebben. Jonas leent zich daar prima voor, Bolle wellicht in de toekomst ook. Vorige maand werd de ‘therapeut in opleiding’ helaas getroffen door een nare ontsteking in zijn teen. Tot driemaal toe moest het arme beest onder zeil. Ondanks dat hij een teen heeft moeten inleveren, komt ie elke keer weer vrolijk onze praktijk binnen en toont hij zich ook een beetje míjn gabber. Hoe blijmoediger ik hem liefkozend toespreek, des te uitbundiger laat hij zijn staart dansen. Als ik, voor de zoveelste keer, geknield naast hem het verband zit te verwisselen, krijg ik steevast een roffel over mijn achterwerk van die kwispelstaart. Liefdesklopjes noem ik dat. Natuurlijk weet hij dat er altijd na afloop een brokje komt… Ik hoop dat hij zijn opleiding gauw kan vervolgen en mooi´maatwerk´ gaat verrichten!

Als ik zo nu en dan een van mijn eigen epistels teruglees, blijkt dat de meeste bistedokters gaan over die innige relatie tussen mens en dier. In al zijn facetten. Voor mij is het de kunst op het spreekuur voor die fijne metgezel de beste oplossing te zoeken als er iets niet in orde is. Maar ik moet me er aldoor van bewust blijven dat het betreffende dier hét maatje is van de eigenaar. Die wil het allerbeste voor de dierbare. Soms een dure raskat, soms een onooglijk vuilnisbakkie, dat is om het even. En dan samen de juiste beslissing nemen. Dat is de taak van de dierenarts. Dát is mijn uitdaging.

December 2018

Wrafke (24) – Fakânsje

Afke op fakânsje

Ik hie al in dei fan tefoaren yn ‘e noas dat d’r wat barre soe. Frou wie tassen oan ‘t ynpakken en narre Baas mei alderhanne fragen wat se al as net meinimme moast. Meastentiids andere hy dat se dat sels betinke koe. Der bedarre allinne iten en boartesguod fan my yn myn eigen hûnetas; de lytsbazen soene op dy âlde swarte passe. Hiene wy beide lekker it ryk allinne! Nei de kofje wie it in healoere riden en doe waarden Frou en ik yn ‘e drokte út de auto setten. Wy rûnen tegearre sigesaagjend yn de kloft omheech en stapten dernei yn in ûnbidich grut gefaarte. Binnen troffen wy Baas ek wer by in taffeltsje mei banken. D’r wiene folle mear hûnen mei baaskes mei, faaks mochten wy mekoar efkes besnúfkje. Mei ik wol oer. In protte minsken hawwe ek niget oan my. Hoech ik net iens myn bêst foar te dwaan. Se fine myn foksbrúne kleur en pup-útstrieling moai en harkje ferheard dat ik in Labrador bin.  Fjirders in soad bern. En dy wolle my allegearre aaie fansels. Dat lit ik nammers mei nocht gewurde. Mei it sels wol graach lije. Ik skrok wol efkes doe’t d’r  trije kear in lûd kabaal klonk en de flier begûn te triljen: it gefaarte kaam yn beweging.

Goed oardeloere wiene wy ûnderweis. Doe sette Baas wer ôf en seagen Frou en ik him pas by de auto wer. Dêrnei wie it mar in kertierke riden nei it simmerhúske ta, tichtby in grut bosk. Dêr koe’k lekker drave, tjirgje en myn behoeften dwaan. Noch nea safolle dinne-appels en tûken sjoen om mei te tôgjen! Ik hie ‘t ferskuorrend nei’t sin. En wat hie’k in ferlet fan iten dy jûns! Mar wat in wurch meitsjende dei. En dit wie noch mar de earste dei…

 

 

 

 

 

 

 

Dy oare moarns betiid liet Baas my earst yn’t bosk út. Ik wie krekt los en doe kaam d’r in fjouwerspan glânzjende brúnen strak oan de line foar harren baas út it bosk yn. In ymponearjend gesicht. Stik foar stik waarden se ek loslitten en mocht ik mei harren yn ‘e kunde komme. Ik lei mysels daliks op ‘e rêch foar harren del, want jo witte it mar noait… Dat wie abslút net nedich neffens harren baas. En hy hie gelyk: wat haw ik mei harren boarte! Baas fernaam oft dit stel Setters ek op jachttraining gie. No nee, dêr wiene se ek fiersten te moai foar mei harren wielderige hier! It wiene ‘sjo-hûnen’ en neffens dy baas wie d’r sels in ferneamde wrâldkampioen by. Foar my wie hy dêr net minder om, hear. Sa eptich die hy him net foar. “Doet u haar even vast?’, frege dy man, doe’t wy werom nei it simmerhúske giene. Dat wie net nedich. Ik mei graach hûntheie mar bliuw wol by myn eigen baas at dy in oare kant út giet. Dat fernúvere dy setterbaas suver in bytsje foar in hûntsje fan amper fiif moanne!

Nei it moarnsiten giene wy om fytsen út. Ik krige krekt sa’n hûnekarre as thús. No, dat bin ik ommers wend efter Frou har fyts. Mar dit hobbele nuver. Baas fûn it ek mar swier traapjen; blykte in bân lek… Mei in nije bân gie it al better. Mar dyselde deis noch prestearde Baas it wol om dy karre twa kear oer de kop te jaaien! De earste kear sil ik net safolle fan blaffe, om’t Frou dêr ek in rol yn spile, mar dy twadde kear jage hy gewoan te hurd troch de bocht!

Lokkich bin ik fleksibel en linich. En boppe alles bliuw ik altyd fleurich… Folle leaver hie ik njonken de fyts rûn, mar dat mei noch net mei myn âldens fan amper in heal jier. Wat dat oanbelanget binne dy baaskes fan my dan wol wer foarsichtich. Út en troch mocht ik út it karke. Sa kuieren wy oer it sânstrân lâns in hiel grut wetter dat nuver smakket en wêrsto ferskuorrend toarst fan krijst. Mar ik mocht mei in hiele protte nocht los omfleane. Wat dêr net leit om mei te boartsjen!

Wy kamen troch bosken en doarpkes en oerol stoppen wy efkes en mocht ik wer út dy karre wei. En baas neat oars as plaatsjes sjitte, meast fan my fansels… Dy jûns wie ik gewoanwei bekôf en sa wurch as in maits. Ik wie bliid dat se myn eigen hûnekessen meinommen hiene wêr’t ik hearlik op koese koe!

Sa hawwe wy in wike lang eltse dei derop út west, mar it like wol folle langer. Ik mocht oerol mei nei binnen ta as Frou en Baas earne kofje dronken of sa. Ik bin sels mei út iten west. Dan joech ik my noflik del ûnder de tafel. Koe it dan lykwols net litte om in skeetsje fleane te litten. Hawar, in puppeskeet is lokkigernôch gjin tongerslach. Dy lêste jûn wie alderaarichst. Begûn de baas fan dy saak samar te sjongen! En hy song my ta as ‘The most beautiful girl in the world’. Ik wit yn de goedichheid net wat dat betsjut, mar ik haw de bêste man doe mar wakker tawispelsturte. Fûn hy moai. En ikke? Ik wol noch wolris op fakânsje!

Septimber 2018

Wa’t him fernuvert oer wêr’t de wrafkes 5 oan’t en mei 23 binne? Dy moatte noch skreaun wurde…

‘Gat in de keel’

Ken je het spreekwoordelijke ‘gat in de hand’? Iemand met dit manco geeft het geld net zo snel of, erger nog, sneller uit dan het binnen komt. Iets soortgelijks, maar dan met eten, deed zich voor bij Ushi. Dat ze ook vrouwelijk is en vernoemd naar het stereotypetje van Wendy van Dijk, is zuiver toeval en absoluut niet seksistisch bedoeld in bovenstaande vergelijking. Laat dat duidelijk zijn! Ushi is een zevenjarige lapjespoes die op zaterdagochtend bij mij op het spreekuur verscheen. Ze had een gaatje in haar keel en eten en drinken liep er bijna net zo snel weer uit als ze het naar binnen had gewerkt. Hoe het is ontstaan? Geen idee. Wellicht heeft ze zichzelf op iets scherps gespiest, maar het kan ook het gevolg zijn van een doorgebroken abces. Het geheel zag er vies en ontstoken uit. Samen met collega Lise bedacht ik een oplossing. Ik bracht haar onder zeil en maakte het gaatje wat groter om er goed bij te kunnen. Je kon van buiten zo op haar strotje kijken en het probleem zat dus in een best lastig gebied. De wond werd weer gesloten met een drain erdoor. Dat leek na afloop eigenlijk wel grappig omdat die gele drain als een vlinderdasje op haar hals prijkte.

 

 

 

 

 

 

De volgende dag wilde Ushi meteen goed eten. En alles bleef nu ook binnen! Na vier dagen heb ik de drain verwijderd en resteerde slechts het afmaken van de kuur met antibiotica en pijnstillers. Een dankbaar mailtje twee weken later met een foto van een gelukkige poes maakte mij op mijn beurt weer helemaal blij. Bovendien zijn we een nieuw spreekwoord rijker. Zeiden we voorheen nog dat als iemand maar raak kan eten zonder ervan aan te komen dat diegene wel ‘wormen zal hebben’, nu zeggen we: ‘Denk dat ie een gaatje in de keel heeft’.

Augustus 2018

Wrafke (4)

Foekje by de Swette

Pyt hie it dan wol gauris oer ‘sosjalisearjen’; no wat dat oanbelanget kinne se d’r hjirre ek wat fan! Ûnderweis by it útlitten kom ik al fan allerhanne soartgenoaten tsjin, mar ik moat my ek troch it byljend folk fan goeie kunde fan Baas en Frou ûnder de sturt begnuve litte. Om by dy kunde te kommen hoege wy net altiten mei de auto; like faak geane wy op wat sy ‘fyts’ neame. Ik kin dêr net op fansels, mar ik wurdt dan yn in karke efter dy fyts treaun. Dêr moast ik ferskuorrend oan wenne. Ik woe d’r it leafst sa gau mooglik wer útwippe, mar dat kin net om’t se my oan de hâlsbân yn dy karre fêst sette. Ik kin dan noch krekt oer de râne hingje en dat doch ik dan ek mar. Yn’t begjin jammere ik derby. Dat sil wol snoad like hawwe, mar wat kin my dat no skele. At soks by dat saneamde ‘sosjalisearjen’ heart dan mei ik bêst myn betinksten hearre litte, fyn ik. Mar by eintsje beslút haw ik my d’r mar by deljûn. It giet eins wol lekker flot en ik sjoch folle mear as yn dy tinte yn’e auto. En se fytse dochs inkeld mei moai waar; want reine, dêr hâld ik net sa fan…

Dizze sneintemoarn giene wy wer ris nei de Swette ta. Der troffen wy in wol hiel bysûnder hearskip mei syn saneamde ‘Frysktalige Hollânske Herder’, Foekje. Neffens Baas is dy Ids op swarte houten skuon de ‘Grutte Keunstner fan Easterwierrum’ en binne syn wurken al roastich ear ‘t se ôf binne. Doe’t wy krekt fan hûs ôfsetten, binne wy noch troch de homeie kaam werfan oan wjerskanten swiere, brúne peallen steane. Dy moat Ids ek makke hawwe. En Foekje hat er ferneamd nei in Fryske hurdrinster fan eartiids der’t wat mei wie. Wol, dizze Foekje kin ek hurd drave. Sy hoecht net mear yn ‘e karre mar rint gewoan njonken de fyts.

Ús treffen gie goed. Se hie net safolle niget oan my. Foekje is in bytsje wreed, sawol yn ‘e omgong as yn ‘e bek. Mar ‘Frysktalich’? Bylje my der net fan. Se blaft en grommelt mear Stedsk. Siz mar Liwwarders, sa‘t âldbaas Pyt dat ek sa moai kin. ‘Heerkes nog an toe, krijstou wel te vrete? Kest wel deur dyn eigen ribben skiete. Soan dunne Labrador hew ik yn myn hele leventsje nog noait sien!’ Ik bin fansels hielendal net meager. Ik haw har efkes flink op it festje spuid dat ik in echte ‘field trial’ bin. Hie se noch nea fan heard fansels! Mar fierder wie se net ferkeard, hear. Bytsje rimpen, net mear en net minder… Har baas hie just wol ôfgryslik niget oan my. Ik mei dy Ids wol lije. Syn keunsten moat ik noch wat oan wenne… Moai mantsje op houten skuon. Klompen binne dat, seit Baas. Soe ik wolris mei omtôgje wolle! Ik wie suver bliid dat ik wer yn ‘e karre mocht, want ik lei nei de kuier bekôf yn it reid mei dat waarme waar.

Augustus 2018

Boefke’s ‘zoogkramp’

Ruim na middernacht werd ik opnieuw gebeld door een zeer verontruste poezenbazin. Laat op de avond daarvoor had ik Boefke namelijk ook al gezien. Boef had begin juni een zestal gezonde Ragdoll-kittens gebracht. Dit was haar vierde nest en alles ging zeer voorspoedig. Tot die bewuste vrijdagavond. Ze was niet zichzelf, zakte wat door haar achterpootjes en mauwde veel. Bij mijn eerste onderzoek viel op de behandeltafel weinig op. Ja, ze had koorts. Het was mij geheel onduidelijk waardoor. Haar melkklieren waren soepel, haar buikje voelde goed en ze vloeide niet meer. Ik besloot desondanks pijnstiller en antibiotica voor te schrijven en vroeg de volgende ochtend mij op de hoogte te houden hoe het Boefke verging. Maar veel eerder werd ik dus al wakker gebeld. Boef schreeuwde veelvuldig, hetgeen ik door de telefoon ook kon horen, had de bazin aangevallen en leek te hallucineren. Ze zag dingen voorbij komen die er absoluut niet waren… Ik dacht aan ‘melkziekte’. Ik ken dat bij koeien, schapen en ook bij honden. Maar bij katten heb ik het nog nooit eerder meegemaakt, wist niet eens dat het überhaupt voorkwam. Google brengt dan uitkomst! ‘Melkziekte’ of ‘eclampsie’ wordt bij katten ook wel ‘zoogkramp’ genoemd en wordt net als bij bovengenoemde diersoorten veroorzaakt door een calciumtekort in het bloed. Bij poezen een zeldzame aandoening die zich een aantal weken ná de bevalling voor kan doen. Dit in tegenstelling tot de herkauwers, waar het juist rond de geboorte plaatsvindt. Op de praktijk prikte ik voor alle zekerheid bloed om de diagnose te bevestigen en gaf Boef vervolgens een calciuminjectie. De volgende ochtend ging het al veel beter. We spraken af dat Boef extra kalk door haar eten zou krijgen in de vorm van gewoon krijt of calciumsnoepjes. De foto laat zien dat de moederpoes inmiddels weer helemaal de oude is. En ook de kleine ‘boefjes’ maken het uitstekend!

Juli 2018

Wrafke (3)

De earste dagen

Moarns ier moast ik noch foar’t de sinne opkaam poernoadich pisje. D’r waard gjin sjoege jûn oan myn oppenearjen en doe haw ik it mar njonken myn kourke rinne litten. En net folle letter moast ik ek noch in gruttere boadskjip dwaan… By Pyt leine d’r meastentiids kranten oer de flier en hy romme ús smoargens altiten gewoan op. Hjir leit in soarte fan swilk yn myn sliepplak en dat wie ek net dreech skjin te meitsjen sa die bliken doe’t Frou it letter opromme. Sy liet my daliks nei bûten ta, mar dat wie al te let fansels. Dernei krige ik myn panne fol mei brokjes. Deselde dy’t wy by Pyt krigen. Pyt hie faaks mear as ien pântsje mei brok foar ús seizen klear stean sadat wy nea om iten hoegden te tsieren. Sadwaande bin ik ek net fûl op hûnefretten. Ik yt pas at ik d’r sin oan haw. Fanôf dizze alderearste dei makke Frou har wat dat oanbelanget dochs suver soargen om my. Mar se hoecht gjin noed te hawwen. Har ‘útiten’ fûn ik dan wol wer alderaardichst. Se ferstoppet de brokjes yn in soarte fan stuiterbal wer’t ik mei omgûchelje mei. Dat fyn ik machtich moai wurk en ik gean krekt sa lang troch oant dat ding leech is. De brokjes dy’t der út falle fret ik fansels daliks op! Doe’t der letter ris in kear besite kaam hie dy d’r niget oan om’t soks no just foar skrokkers ornearre is… Fjirder moat ik blafkje dat ik de nije brokjes fan hjirre dochs leaver haw dan dy fan Pyt. Frou mong se earst mar doe socht ik dy nije d’r lekker út!

Útsein dy earste nacht gie it de dagen dernei folle better. De grutste lytsbaas moat moarns al om seis oere de doar út en hy docht my nei bûten ta as hy oan syn iten sit. Dan jou ik my noch in oerke del en dan krij ik fan Baas myn moarnsiten. Dan mei ik alwer nei bûten ta en sneup ik wat yn’e tún om. Ik hie fan Frou al in sokkebal (in sok mei in bal deryn) krigen doe’t ik noch by Pyt en Emmy wie, mar hjir is noch folle mear spul wer’t ik mei omtôgje kin. Bygelyks in grof tou, in baltsje mei in slingerkoard en in rubberbonke. Echt fan dat puppeboartesguod.

‘Sokkebalje’

Faaks spaant dy oare âld hûn, Äicha, ek bûtendoar om en ik besykje wakker om better mei har yn ‘e kunde te kommen. Dat slagget hieltyd mear, mar as ik te drok foar har bin krij ik in blaf om ‘e earen. Frou lit ús om barren oan de rym lâns de dyk út. Somtiden geane wy ek earst mei de auto in eintsje út te riden en dan wurde wy lâns in grutte feart dy’t se de Swette neame, of by it spoar útlitten. Elts ketier giselt dêr in grut meunster mei kabaal foarby. Ik lûk my der neat fan oan. Aïcha ek net mear om’t sy no stram is, mar eartiids moat sy altiten oanstriid hân hawwe om dat kring yn te heljen. Dêr by’t spoar mocht ik ek Snuf moetsje. Wat in grutte hûn is dat. Dêr kin ús mem wol twa kear yn!

Wy koene alderbolderbêst boatsje. Mar ik skrok my dea! Ynienen rekken myn achterpoatsjes yn it lange gers gjin grûn mear en glied ik yn ‘e ûnderwâl samar de feart yn. Frou en Baas súver yn panyk. Dat wie absolút net nedich om ‘t ik gewoan nei de oare kant ta swom. Baas rûn oer in damke om it lân yn, grypte my yn myn nekfel sa‘t ús mem ek wol mei my omtôge hat en hy smiet my as in wiete dweil op it lân. Ik like wol in grouwe rôt, sei er. No haw ik noch nearne in rôt sjoen, mar dat klonk bepaald net as in komplemint… Ik krige it wol wat kâld en ik siet letter yn myn hûnetinte efter yn de auto te triljen as in juffershûntsje. Lokkich hie Frou in skûlk by de hân en hat se my wer lekker droech wreaun. Wat in aventoer, ju.

Dyselde jûns wie ik sels te wurch om myn bakje leech te iten…

 

Wrafke (2)

In nij begjin

De woansdei nei Pinkster wiene allinne Abe en ik noch oer fan ús nêst fan seis. Ik fûn it sneu foar Abe mar ik wie bliid dat ík net as âlderlêste ophelle waard troch myn nije baas en syn frou. Ik seach se al fan fierren oankommen en hie daliks troch dat ik no oan bar wie en sa sette ik myn sturt yn de heechste wyspelstân.

 

Pyt hie de triennen yn ‘e eagen doe’t wy mei syn trijen ôfsetten mar ik tocht by mysels: ‘ja fader, dan hiesto my mar net fersizze moatten!’ Ik mocht by Frou op skoat sitte yn in grut kabaalding dy’t sy ‘auto’ neame. Ik krige noch in aai oer ‘e kop fan Pyt en Emmy en dêr gong ik mei myn krapoan sân wike âld de wiide wrâld yn. Weemoedich útswaaien wie it lêste wat ik fan harren seach. Ûnderweis waard ik in bytsje mislik en ‘k moast derfan flybje. Frou hie d’r rekken mei holden en strûpte in grutte doek ûnder my del. Gelokkich duorre it net lang en sûnder koarjen kaam ik al rillegau op myn nije wenstee. De ûntfangst dêr wie alderhertlikst. D’r wenje hjirre noch trije grouwe jonges thús dy ‘t my om bar oankrûpe woene. Mar boppedat wennet hjir ek noch in âld sok. Sy soe wolris muoite mei my ha kinne en dus setten wy op ‘e nij wer ôf nei in ‘neutraal gebiet’ om elkoar te moetsjen. Ik waard yn myn nije reistinte efter yn ‘e auto treaun en dêr gongen wy wer. Ja ho’ris, tocht ik, wat sille wy no ha! Ik seach neat, ‘k wist alhiel net wat my te wachtsjen stie en dat sille jimme witte ek! Sadwaande haw ik hearre litten dat ik fan de wolven útskaai. Mar it duorre grif noch gjin fiif minuten en doe mocht ik mei dy âlde swarte yn ‘e kunde komme. Aïcha neame se har. In swarte labrador fan mear as fjirtjin jier. No, sa swart as ús mem is se net mear; sis mar sulvergriis. Foaral om ‘e snút en ûnder de sturt. En se rint wat krebintich mar wa seit my hoe’t ik noch omspaan at ik sá âld wurde mei..? Sy fûn my wol wat drok, mar ik haw neat oars dien as har om ‘e bek ôfslikje en der is gjin ferkearde blaf fallen, lit stean biten en grommen… Ik haw har daliks ûnderdienich merke litten wat myn plakje is en dat sil foarearst fêst sa bliuwe at it oan my leit. Fansels hat sy de âldste rjochten hjirre. Faaks kin ik ek noch in protte fan har leare. ‘At dat mar net it ferkearde is’, seit Frou perfoarst. No, dat sil de tiid leare.

Doe gongen wy werom nei myn nije stee en lieten se my myn sliepplak sjen. In grutte koai gewoan yn ‘e húskeamer. Ik krige wat brokjes dy’t Pyt meijûn hie, mar der hie ‘k noch gjin ferlet fan en doe haw ik my daliks deljûn yn myn hûnekuorke. Dat is dúdlik earder brûkt, mar dat makket my neat út om’t it hûnebêd deryn skjin is.

Op ‘e neimiddei haw ik wakker yn ‘e tún boarte mei eltsenien en bin ik al oan in halsbân de strjitte út west. Wat in dei. Ik wie dy jûns folslein út ‘e liken! Safolle nije yndrukken, nije gesichten en sa. Yn it lân efterhûs haw ik bygelyks mei niget hiele grutte swarte en wite skepsels sjoen dy’t net blaffe mar blête. Hiel nijsgjirrich! Doe ‘t it letter op ‘e jûn stil en tsjuster waard yn ‘t hûs miste ik ús mem en myn bruorkes dochs wol ferskuorrend. Pyt hie in stik tekken fan ús nêstkoer meijûn en dat joech my treast. Dochs moast ik súntsjes jammerje. Mar dat hat noch gjin kertier duorre, doe foel ik as in blok yn sliep…

 

Wrafke (1)

De nêsttiid

Myn namme is Afke. Folút ‘Afke fan it Fryske Wetterlân’. Berne yn it Ljouwerter Âldlân op 1 april fan dit jier en dat is gjin grapke. Ik bin d’r ien fan seis; ik haw fiif bruorren. Harren nammen binne ek like Frysk as dy fan my. Wy binne lykwols net fan it Fryske ras mar Labradors fan it jachttype. Ús mem wennet by Pyt & Emmy en dy. Sy hawwe al wol faker ris wat oan fokkerij dien, mar wy wiene ús mem har earste nêst. Mem is swart as de nacht, heit haw ik nea sjoen, mar hy moat in grutte blonde âldfader weze. Ien mei sterke genen want wy binne alle seis blond. Giel stiet op myn stambeam mar dat is gewoan net wier, ik bin eins foksbrún. Folle moaier!

Ik haw in gouden tiid hân by Pyt en Emmy. De earste twa wike krijsto d’r net sa folle fan mei want wy leine allinne mar wat by ús mem oan it jaar te sobjen en fjirders in protte sliepe fansels.

En nei njoggen dagen geane dy de lûkjes iepen, mar dan sjochsto noch gjin poat foar d’eagen. Pas nei trije wike kinsto wat omskarrelje en krijsto ek ris wat oars as memmetate. Ús mem wie ferskuorrend wiis mei ús en wy groeiden as koal. It alderlekkerst fûn ik sliepe op in grutte bult boppe op myn bruorren. Hearlik! Mar ik fûn it ek prachtich at de lytse faam oer de flier kaam om te boartsjen. Foaral doe’t wy wat letter mei moai waar ek yn ‘e tún omslaan mochten. En baas Pyt? Och, hy hat wol wat de namme fan in gnoarrepôt, mar hy wie sa grutsk op ús! Hy hat geweldich op ús past. It wie altiten sûkerskjin en wy krigen net allinnich fan dat lytsehûnefretten. Faaks hie Pyt guozzefleis of soksawat; dan slikken wy mekoar de bek ôf! Mar hy jage ús sa no en dan wol de skrik oan. Fansels wiene wy dêr gau klear mei. No ja, allinne myn broerke Epke hat ienris in healoere fan’t hynder west doe’t Pyt mei dat grutte lawaaiding stie te gûcheljen en te blazen, mar fjirders stiene wy syn fiten. Tsjin de besite sei er dan dat er al drok oan it ‘sosjalisearjen’ wie. Ja hear…

 

Dy nêsttiid fljocht om. Doe’t wy seis wike wiene kaam de karmaster fan it Hûneferbûn. Dy besjocht dy en jout dy in dikke spuit yn ‘e nekke. Dan wurdsto in nûmer yn it grutte stambeamboek. In pear dagen letter krigen wy allegearre nochris in spuit fan myn nije baas. It sil wol goed foar ús wêze, mar om my hie dat net hoegd. Dernei hawwe wy noch in goed wike wakker wille meielkoar hân en mei Pinkster waard de iene nei de oare fan ús ophelle. Myn bruorren waard suver om tsierd, mar ik wie al fersein oan de frou fan de bistedokter. Har werkenbere stimme hie’k op 1 april al heard, doe moat se op kreambesite west wêze. Pyt hat har goedkard, oars hie hy my sels holden, sei er. En de bistedokter? Dy hat suver neat oan ús fertsjinne om’t wy út in sûn laach komme. Ik haw him dus allinne mar jild koste. Hy tinkt nammers dat er myn tinzen ferwurdzje kin. Hawar, ik lit him mar yn dy waan. Ik bin lykwols bang dat der mear ‘wrafkes’ folgje sille…