Stapelen

De mondiale overbevolking heeft er toe geleid dat wij gewend zijn ons steeds dichter bij elkaar te huisvesten. Zo dijden dorpen uit tot stadjes en steden vervolgens tot metropolen. En als we niet meer naast elkaar kunnen wonen, dan doen we dat wel boven elkaar in flatgebouwen. In de dierenwereld komt eenzelfde fenomeen voor, maar daar is niet de overbezetting het motief om kolonies of kuddes te vormen. Meestal biedt de groep een grotere kans op overleven tegen een gezamenlijke vijand. Ik ben er nog niet helemaal uit wat de voornaamste drijfveer van het ‘stapelen’ van de nesten bij ons in de wilg aan de vijver is. Die plas achter ons huis wordt namelijk steeds geliefder bij het gevogelte. Vorig jaar broedden er een meerkoet, een zwaan en een waterhoentje. En in de korven in de wilgen diverse eenden en zelfs een duif. Het zwanenpaar keerde dit voorjaar prompt terug en kreeg gezelschap van een drietal meerkoetechtelieden. De korven maakten plaats voor ouwe melkbussen die weer onmiddellijk werden bezet door de eenden. Nu staan meerkoeten erom bekend zich redelijk agressief te gedragen. Ze torpederen alles wat maar in de buurt van het nest dreigt te komen. Wellicht was er voor de waterhoenen daardoor geen plek meer in de rietkraag en moesten ze uitwijken. Wat te doen? Tot mijn verbazing werd er ín de wilg een souterrainnest gemaakt ónder de melkbus met een broedende eend. Een bijzonder grappig tafereel. Moedereend heeft intussen met haar kroost de bus verlaten. Ben benieuwd wanneer de hoentjes het levenslicht zullen zien. Overigens: niet alleen nesten worden gestapeld in onze vijver, er is ook een meerkoet die haar vierde ei óp de andere drie had gelegd.  En nee, ik heb daar niet de hand in gehad! Mooi toch, hoe de natuur ons blijft verrassen.

Inspiratie

Het is maandagochtend en ik ben net terug van een weekje Vlieland met vrouwlief en onze hond Afke. Altijd weer een prachtige belevenis die een vracht aan puike foto’s oplevert, waarvan er altijd eentje een tijdje het beeldscherm van mijn pc domineert of op de jaarkalender eindigt om de herinnering levend te houden. Is het niet een spelende hond op het strand met een dreigende lucht op de achtergrond, dan wel een fraai shot van een lepelaar in de vlucht. Even weg van de dagelijkse drukte die vandaag weer losbarst. Al voor achten sta ik tussen de koeien op de scan te koekeloeren of de dames in blijde verwachting zijn. Daarna rijgen de afspraken zich aaneen op een druk spreekuur dat halverwege de middag even dreigt te ontsporen omdat er ook nog steeds enkele baasjes binnendruppelen die zich op een open spreekuur wanen. En net als de wachtkamer weer een beetje als vanouds gevuld is belt er een geschrokken kattenliefhebber dat haar Pander een ongeluk heeft gehad en een pootje mist. Natuurlijk mag die eerst: kom maar gauw! Samen met collega Thijs inspecteer ik het arme dier. Het ongeluk laat zich snel herleiden tot de activiteiten van fraaie voorjaarsweer van vandaag: het beest moet slachtoffer zijn geworden van een cyclomaaier tijdens zijn muizenjacht door de velden. De ene achterpoot is vlak boven de hak totaal verdwenen en het linker voorpootje ligt open tot op het bot. Het voorpootje lijkt nog wel te redden. Op drie pootjes kan een kat goed verder, op twee zou het uiteraard hopeloos zijn. De balans: de voorpoot hechten en achter amputeren tot boven de knie. We nemen het dier in de opname en maken eerst samen het spreekuur af. Daarna buigen we ons gezamenlijk over het slachtoffertje.

Rond acht uur in de avond zet ik de laatste hechtingen en leg ik het onfortuinlijke patiëntje op een lekker verwarmd bedje in een opnamekooi. Ik breng de eigenares telefonisch op de hoogte van de situatie en zeg dat ik een slag om de arm houd omtrent de prognose, maar dat de kater zeker een kans maakt. Ruim de OK op en keer huiswaarts voor een lekker opgewarmde prak van mijn eega. Mijn werkdag is inmiddels het klokje rond en van mij mag de dienst verder rustig verlopen…

Pas de volgende ochtend om zeven uur gaat de telefoon weer: koekalverij bij de overbuurman. Ik ben dus vlot ter plaatse. Het kalf ligt in stuit met de beide achterbeentjes naar voren en ik voel slechts een staart. Voorzichtig haal ik één voor één de pootjes erbij en rek ik vervolgens de schede wat op alvorens we het kalf samen ter wereld helpen. Snakkend naar adem dreigt het kalf te smoren in het vruchtwaterslijm dat de luchtwegen blokkeert en met vereende krachten til ik rap samen met de boer het kalf op de kop over een hek. Het slijm loopt met stromen uit de bek en ik masseer neus en bek vrij van het kleverige goedje. Gaandeweg leveren de inspiraties een steeds beter resultaat op en kunnen de longen zich ontplooien. We laten het kalf vervolgens weer op de grond zakken en slepen het voor het moederdier. Dat begint haar pasgeborene kwiek met haar tong te bewerken. Het kalf richt daarop de kop op en met voldoening aanschouw ik samen met mijn overbuurman het tafereel. Wij hebben nog precies op tijd hulp kunnen bieden en het kalf voor een akelige dood kunnen behoeden.

Na een jachtig ontbijtje rep ik mij naar de praktijk. Hoe zou de operatiepatiënt het maken? Nieuwsgierig tuur ik alvast door het raam van de opname. Thijs zit de driepoot met goed gevolg te voeren en steekt de duim omhoog als ie mij naar binnen ziet gluren. Fijn! Dan vul ik snel mijn auto aan voor de volgende visite. Er dient een hele veestapel van ruim 200 dieren gevaccineerd te worden om deze tegen de koeiengriep te beschermen. De veehouder had al gebeld of ik niet wat eerder kon komen. Hij moet immers ook kuilen… Als ik in de auto stap herinner ik mezelf aan het feit waarom ik dit vak zo mooi vind. Welk beroep biedt zoveel variatie en voldoening? En zozeer inspiratie om bistedokters te kunnen schrijven? Zo ben ik dus binnen 24 uur terug in de hectiek van alle dag en de vakantie alweer bijna vergeten. Gelukkig hebben we de foto’s nog!

Supertrio

Boeren liggen geregeld onder vuur. Is het niet de ‘landschapspijn’, dan is het wel de regelgeving waaronder ze gebukt gaan. Zeer recentelijk nog de ‘kalversterfte’ in de melkveehouderij. Omstandigheden spelen daarin de grootste rol. Vergelijk het met babysterfte: als je in Afrika wordt geboren is jouw overlevingskans minimaal tien keer slechter dan in Nederland. Zeker, de kalveropfok was nogal eens een ondergeschoven kindje op de boerderij. Immers, de verdienste wordt vooral met het melken gescoord. Maar de meeste boeren zijn ondertussen wel degelijk doordrongen van het feit dat je de ‘opvolgers’ van jouw huidige veestapel moet koesteren omdat een goede start van een koekalf zich later laat vertalen naar een betere melkgift bij de volwassen koe. Dat laat onverlet dat de meeste boeren weinig energie steken in een afwijkend of te vroeg geboren kalfje, omdat het weinig kans maakt de mesterij te halen, laat staan ooit een volwassen koe te worden. Zoals zo vaak; uitzonderingen bevestigen echter ook hier de regel!

Wierd werkt op de boerderij van Ids. Inderdaad, de schaatser. Wierd was een beetje verbaasd, want de koe die aan het kalven was, was nog helemaal niet aan de tijd om dat te doen. Meer dan een maand te vroeg. De verbazing werd allengs groter omdat het kalfje nagenoeg probleemloos uit de moederkoe floepte. Hij ving het op en zag dat het onmiddellijk goed begon te ademen en kraakhelder uit de oogjes keek. In de reguliere kalverbox zou dit onderdeurtje van amper 15 kg wellicht het onderspit moeten delven dus besloot Wierd het koekalfje mee naar huis te nemen. Na een flinke slok biest belandde het in de kofferbak.

Thuis gekomen ontfermde de kloeke stabij Nynke zich samen met haar baas over ‘Femke’, zoals het kalfje werd vernoemd naar de toenmalige ‘scharrel’ van de boerenknecht. Nynke kon uitstekend haar moedergevoelens botvieren op Femke. Ze liet haar tepels zelf aflebberen, maar kon uiteraard niet plotsklaps voor melk zorgen. Dat kon Wierd wel: viermaal daags kreeg het dappere koekalf de fles en zienderogen groeide ze. Na ruim een maand had ze vrijwel het normale geboortegewicht van een klein, pasgeboren kalfje. De woonkamer maakte plaats voor de tuin, waarin ze samen met Nynke dartelde.

Uit voorzorg had ze nog steeds geen oormerken gekregen; de kans was immers vrij groot dat ze het niet zou redden. Maar nu durfde Wierd die stap ook wel te nemen. Ze kreeg oornummer 5115 en werd meteen officieel geregistreerd. Onderhand werd het tijd dat ze naar de jongveestal vertrok om te socialiseren. Eerst in het schapenhok en later ook met soortgenoten. Stel je voor, ze zou immers in een enorme identiteitscrisis gestort worden als ze maar bleef denken dat ze een pup was…

Dit voorval gebeurde ruim 2,5 jaar geleden. Bij de laatste drachtcontrole de afgelopen maand kreeg ik Femke aangeboden. Ze is altijd een kleine koe gebleven, maar geeft desondanks ruim 30 liter melk per dag! Een zeer efficiënt melkkoetje voor Ids. Met grote dank aan Wierd en Nynke. Tezamen met Femke vormden ze een uniek trio. Wierd doet mij dit relaas op de hem kenmerkende manier met een zweem van onverschilligheid, maar hij zou het best met wat meer trots mogen vertellen. Het mag namelijk verteld worden, zeker indachtig de aanvang van deze bistedokter. Sterker nog: het móet verteld worden! Of Femke drachtig was? Uiteraard, dat laat zich raden! Waarschijnlijk heeft Wierd haar zelf geïnsemineerd. En Nynke? Die speelt momenteel met een pasgeboren geitje in de tuin.

April 2019

Wrafke – Moaie dei

Fansels hie‘k al lang yn ‘e noasters dat it net goed gie mei dy ‘âlde Swarte’, Aïcha. Sy siet al yn har Fyftjinde (!) libbensjier, mar se wie noch sá geef mei har fjoer fan in rjochtaarde jachthûn. Jawis, krebintich troch in fersliten rêch, mar dêr joech Baas har pillen foar. Ferline hjerst hat dyselde Baas har noch twaris ûnder it mes hân om frjemde bulten fan har liif fuort te helje en dat hat se geweldich goed trochstien. Fan ‘e wike hat se wer mei Frou en Baas nei de bistedokterspraktyk west. Doe’t se thús kamen wiene de gesichten fertrietlik. Aïcha wie ek fan’t hynder, mar dat wie se lykwols altyd at se nei de praktyk west wie. Ik snúfde de rook fan minsken oan har dy’t ik net rjocht thúsbringe koe, mar fernaam oan Frou har praat dat se by dyjinge west wiene der’t Aicha har puppetiid trochbrocht hat. Om ôfskie te nimme, koe‘k begripe. Eltse dei dernei giene wy nei in plakje te kuierje wer’t wy wolris earder west wiene en op woansdei binne wy sels meienoar nei myn ferneamde jachtoefenmasterin yn Harich west. Aïcha moat fan Anjolien alles leard hawwe wat ik no mei safolle nocht opdoch. Mar Anjolien beweart ek fan Aïcha in bulte leard te hawwe. Wat wiene dy twa seldsum bliid mekoar wer te sjen! Ik haw dy  âlde Swarte noch nea sa út de skroeven sjoen… Oandwaanlik! En se hat by eintsjebeslút ek noch twa kear in dummy-ein apperteard. Net te fier fuort, hear. De dei dernei moast se dat lykwols ferskuorrend belije. Se wie út ‘e liken, moast hyltyd mear koarje, mar woe en koe dochs noch wol lekker ite. Dat skynt se har hiele libben graach dwaan mocht te hawwe. Wat dat oanbelanget: in echte Labrador. Kin ik noch wat fan leare, om’t ik noch wolris in miel oerslaan wol…

De dagen dernei gie it wer in lyts bytsje better, mar wol waard dy ‘âlde’ hyltiten koartamiger. Se doarde somtiden net mear lizze te gean en stie dan mei de sturt tusken de poaten yn har helpleazens om har hinne te sjen. De hiele dei troch kamen Baas, Frou en de jonges omste beurten har treaste en oanhelje. Ik liet har safolle mooglik mar gewurde, at se it lykwols ferneare koe, slikke ik har om ‘e bek. Op dy bewuste sneintemiddei wie it fertriet hast net mear te hurdzje. Mei syn allen giene wy nei bûten ta en bedarren we op it stalt by de fiver. Aïcha hime en sette grutte eagen op, dochs liet har berêstend dêrhinne dirigearje. Eltsenien socht in plakje om har hinne en sei gjin wurd. De sinne skynde folop en yn it fjild efter hûs makken fûgels kabaal as op in moaie maitiidsdei, sa ûnwerklik midden yn febrewaris. Baas pakte in foarpoat fan Aïcha, die dêr in bântsje om en knipte har hier fuort oan’t op har hûd. Doe pakte hy in spuit mei blau guod deryn en ik seach dat hy dy stadichoan leech drukte yn de bloedier fan har poat. Net earder haw ik safolle triennen floeien sjoen wylst dy âlde Swarte stadichoan dochs wis belies joech en har kop yn de earmen fan Frou del lei. Súntsjeswei siigde har swarte liif ûnderút en stoar it ljocht út har eagen wei. Wat in grut fertriet op dizze prachtige dei. In skoft hawwe Frou, Baas en de lytsbazen dêr ferslein by sitten. Doe  seach ik Baas twa skeppen ophelje en mocht ik har noch ienris besnuve. Dêrnei moast ik yn ‘e hûs.

Letter op ‘e middei hie‘k om ‘e bliksem wol yn ‘e rekken wêr dy âlde Swarte bedarre wie: efter yn ‘e tún by de feart stiene trije grutte reidplommen yn de grûn njonken in bultsje mei houtsnippers dêr oerhinne. Ik stuts myn snuffert daliks yn dy snippers en koe wier de rook fan har noch wol in lyts bytsje opsnúve. Fierders haw ik dat plak net beruorre, mar Aïcha moat dêr bedobbe wêze. De beide grouwe tûken dy’t Baas d’r krúslings op lein hie haw ik al fuorttôge. Dy wiene te moai om net mei te boartsje. Ûnderwilens gie de sinne ûnder en kleure de himel rôsread; wat in moaie dei, sa foar de dea.

De dagen dêrnei fûn ik it stil yn ‘e hûs. Ik koe út wol fjouwer hûnekuorren kieze om yn te sliepe: twa yn ‘e gong en twa yn ‘e húskeamer. Dat fielde nuver. Ik wie suver bliid dat Baas opromming hold. Ik mis dy âlde net echt, sy wie ommers altyd sa op harsels. Mar ik haw wol in ferskuorrend protte fan Aïcha leard. De hûnetaal noch it measte. Hoe’sto mei in lytse feroaring fan hâlding sjen litte kinst hoe‘sto tsjinoer in soartgenoat stiest, sûnder ek mar te bylje of te grommelje. Want dat kin ommers altyd noch wol. It is ferdraaide spitich dat safolle hûnen, mar ek guon minsken, dy hûnetaal net by machte binne.

Febrewaris 2019

Wrafke – Frutsel

Doe’t Baas fan ‘e moarn ûnder kaam en my nei bûten litte soe, fielde ik mysels sa ferskuorrend modzich. Hy moast my suver wekker meitsje, sa sleau en moalich wie’k. Baas kin dat hiel fynfielend. Hy begjint my earst ûnder myn strôtsje te kardzjen en dan rek ik my út, draai ik mysels stadichoan op ‘e rêch, en dêrnei tysket er my oer myn búkje. Dat lit ik sa lang mooglik mei de eagen ticht gewurde om’t er my eins gjin grutter deugd dwaan kin! Mei in protte muoite rôle‘k op myn poatsjes werom en gappe wiidbekkich. En dat wylst ik fan ‘e wike krekt de hiele wrâld wol oan koe. Doe haw ik sa hearlik traind mei Frou. Ik speurde as in spear en appertearre as ‘t spoar. Ik haw alle dummys prompt fûn en fuortdaliks by Frou brocht. Och, wat wie se grutsk op har lytse mokkeltsje! Sels de jachtoefenmasterin wie optein. Ik begryp dus neat fan dy lamliddichheid . Bin wier net siik of sa mar ik kin wol in gat yn ‘e dei sliepe… Dochs mar efkes yn ‘t waar sjoen en dernei krige ik, krekt lyk as eltse moarn, iten fan Baas. Hie’k sljocht gjin sin oan. Ik haw him oansjoen en doe begûn Baas te skodholjen: ‘dan mar net, Afke…’ Hy seach wat sneu om’t ik in bytsje jierdei bin. Ik bin hjoed sekuer acht moanne âld.

Geandewei de dei gie it wat better. Frou lit my wat letter op ‘e moarn lekker lang út en dan kin ik wat omsneupe en snaaie. Frâl yn smoargens. Frou fynt my mar in fyske; ik mei dat lykwols ferskuorrend graach dwaan. Wurd dêr ek sa roppich fan dat ik thús daliks de hiele bak wol leechfrette kin! Somtiden moat ik dernei wer koarje, bynammen as ik tefolle woartelstôkken út it heakelguod fandele haw. Hjoed net en dus haw ik hearlik myn bak leechfretten. Ienris wer yn myn hûnekourke skrok ik sa ôfgryslik dat it hier my dwers op ‘e sturtbonke stie. D’r leine farske drippen bloed op it kleed! Wêr kamen die yn ‘e goedichheid wei? En net allinne op myn kleed, se leine ek rûnom op ‘e flier. It fielde boppedat krekt of ik myn miichsel net goed ophâlde koe. Ik dus wakker oan myn frutsel sneupe om te sjen wat dêr te rêden wie. Hie al murken dat dy de ôfrûne dagen stadichoan opswollen rekke wie. Suver in gleie prom. Jawis! Dêr kaam it wei. Net bêst… Daliks alles opslikje fansels en de flier skjin ljepke mei myn mûldweiltsje. En mar prakkesearje. Soe dit dan wêze wat de frou fan Pelle okkerdeis oppere? Pelle sit ek by ús op jachttraining en soe neffens har syn earste ‘wiete dream’ hân hawwe. No, Monty wie dêr noch hielendal net oan ta, andere dy oare baas doe. En ik seach dat hy syn spytgnyskjen nei Frou suver net ynhâlde koe wylst er dat sei. Mar Pelle en Monty binne reukes en ik bin in wyfke. Ik haw d’r gjin idee by hokker ‘dreamen’ my te wachtsjen steane. Op dat stuit kaam Frou wer yn ‘e keamer en sy seach my drok dwaande mei myn lape. Se dikere de flier oer en rekke suver oerémis: ‘Afke wurdt in grutte faam!’, rôp se út. Se nodde my leafdefol en dat joech my it gefoel dat ik gjin noed hawwe moast. Frou brocht Baas gau op ‘e hichte. Se sei him dat se ‘t al in pear dagen oankommen sjoen hie. It sil by it folwoeksen wurden hearre, sa moast ik hjirút wol begnuve…

Twa dagen letter is it floeien noch folle slimmer: myn doaske is no sa lek as in tjems! Dochs mei ik mei nei de training ta. Myn stimming is sa ûngelikens as it waar en ik haw nearne nocht oan. Mar dy jachttraining wol ik fansels net slûpe litte, dan meitsje ik wol nocht! Frou siet d’r suver wat oer yn. Wat soene de reuen wol net útheve? Ik hearde har beljen om advys. Letter fentilearre se oan Baas dat neffens de oefenmasterin it just in geve útdaging foar de baaskes wêze soe dat harren hûnen har net ôfliede litte meie troch de hormoanen. Sa sette ik mei Frou dochs wer ôf nei de Súdwesthoeke.

It wie ûnlijich waar mei in kâlde wyn en winterske buien. Earst liet Frou my lang yn ‘e auto wachtsje, wylst de reuen wakker omfleane mochten. Lang om let gie de training los en mocht ik ek foar ‘t ljocht komme. No, dat soarge foar opskuor. Om syn beurten moasten de hearen oan myn frutsel snuve fansels. Dy grutte Flatcoat stuts sels syn hiele noas ûnder myn krús en gong mei my oan ‘e haal as wie ‘k in kroade! Sels haw ik mar in ‘krekt-as-neat-oan-‘e-hân-hâlding’ oannaam. Jawis, myn frutsel is grut, der rint wat út en ik bin wat min by de wurken. Duh! It soe wat, fierder neat loas, hear… Doe ‘t de reuen wer oan tou sieten en de opwining delbêde wie, mochten wy om bar in dummy troch de feart ophelje. Koe eltsenien moai ôfkuolje! It wetter wie desimberkâld, mar dat die my eins wol goed. Koe allinne dat kring earst net fine! Dernei diene wy in proefstik yn stânfêstigens. Dat kin ik tsjintwurdich poerbêst. Earder hie ‘k wolris striid mei Frou om’t ik wakker ungedurich wie. Dan baarnde it my yn om te wachtsjen oan ’t Frou it sinjaal jûn hie dat ik gean mocht. No, jimme kinne wol riede dat dy reuen harren sels net altiten yn ’e macht hiene. Se moasten hyltyd efkes by my lâns noaskje…

Dernei rekke ik mysels ek kwyt by it appertearjen. Koe neat fine, harke net nei en seach gjin ynstruksjes fan Frou. Lokkich wie se net boas. Is se lykwols hast nea hear, der net fan. Se stie mei in hândoek klear om my droech te wriuwen ear’t we wer ôfsetten nei hûs ta.

No liz ik wer lekker mudzich yn ‘e grutte koer fan dy âlde swarte. It leafst op ‘e rêch en ungesjeneard mei it frutsel omheech. Ooooh, wat fiel ik my ûnhuerich looooopsk. Om my mei it moarn wol wer oer wêze…(djippe,grommeljende sucht)

Jannewaris 2019

Maatje

Ik heb in het begin van mijn loopbaan eens een onvergeeflijke fout gemaakt. Het betrof een leuke Retriever van een jong stel. De baas en de vrouw wilden heel graag pups bij het teefje en dat lukte niet. Ook niet na een intensief begeleide hernieuwde dekking. Ik deed daar vrij luchtig over. Het is de natuur blijkbaar die het beter vindt van niet. Dat viel enorm verkeerd. Er was een onvervulde kinderwens en nu kon hun allerliefste maatje ook al geen pups krijgen. Een beetje meer compassie mijnerzijds zou op zijn plaats geweest zijn. Zo heb ik in de loop van de tijd geleerd hoe enorm belangrijk een huisdier voor mensen kan zijn. Uit eigen ervaring uiteraard, want ik weet wat een belangrijke plek de beesten in ons eigen gezin innemen. Net als bij mijn eigen moeder, zeker toen zij alleen overbleef. Wat vond ze het fijn dat er een kat zachtjes mauwend op haar zat te wachten  als ik haar weer thuis bracht in een verder stil huis. Wat is het niet een ramp voor oudere mensen als ze, hulpbehoevend als ze zijn, in een verzorgingshuis terecht komen en hun huisdier niet mee mogen nemen. Die onvoorwaardelijk trouwe metgezel die troost biedt op de momenten dat het nodig is. Bij jong en oud. Je vindt altijd een luisterend oor bij je dierbare viervoeter. Of dat nu een hamstertje, een poes of een grote Duitse Dog is, dat maakt allemaal niet uit. Je kunt je geheimen kwijt, je verdriet delen en je vreugde uiten. Ze zullen het in ieder geval nooit doorvertellen en zijn net zo droevig of guitig als waar de situatie om vraagt. Er zijn talloze onderzoeken die de positieve invloed aantonen die dieren op mensen kunnen hebben. Bij ziekte, eenzaamheid of gewoon in het dagelijks leven. Zonder dieren te vermenselijken. Dieren blijken, vaak onbewust, allerlei functies te vervullen in ons bestaan. Zowel voor de fysieke als geestelijke gezondheid. Onderzoek toont bijvoorbeeld aan dat mensen mét een hond na een hartinfarct een grotere overlevingskans hebben dan zonder! 

Nelleke heeft twee maatjes: een stoere labrador, Bolle en een paard, Jonas. Die twee zijn niet alleen haar eigenste maatjes; Nelleke gebruikt de beide viervoeters tevens in haar praktijk voor therapie, coaching en training. Voor mensen die een steuntje inde rug nodig hebben. Jonas leent zich daar prima voor, Bolle wellicht in de toekomst ook. Vorige maand werd de ‘therapeut in opleiding’ helaas getroffen door een nare ontsteking in zijn teen. Tot driemaal toe moest het arme beest onder zeil. Ondanks dat hij een teen heeft moeten inleveren, komt ie elke keer weer vrolijk onze praktijk binnen en toont hij zich ook een beetje míjn gabber. Hoe blijmoediger ik hem liefkozend toespreek, des te uitbundiger laat hij zijn staart dansen. Als ik, voor de zoveelste keer, geknield naast hem het verband zit te verwisselen, krijg ik steevast een roffel over mijn achterwerk van die kwispelstaart. Liefdesklopjes noem ik dat. Natuurlijk weet hij dat er altijd na afloop een brokje komt… Ik hoop dat hij zijn opleiding gauw kan vervolgen en mooi´maatwerk´ gaat verrichten!

Als ik zo nu en dan een van mijn eigen epistels teruglees, blijkt dat de meeste bistedokters gaan over die innige relatie tussen mens en dier. In al zijn facetten. Voor mij is het de kunst op het spreekuur voor die fijne metgezel de beste oplossing te zoeken als er iets niet in orde is. Maar ik moet me er aldoor van bewust blijven dat het betreffende dier hét maatje is van de eigenaar. Die wil het allerbeste voor de dierbare. Soms een dure raskat, soms een onooglijk vuilnisbakkie, dat is om het even. En dan samen de juiste beslissing nemen. Dat is de taak van de dierenarts. Dát is mijn uitdaging.

December 2018

Wrafke (24) – Fakânsje

Afke op fakânsje

Ik hie al in dei fan tefoaren yn ‘e noas dat d’r wat barre soe. Frou wie tassen oan ‘t ynpakken en narre Baas mei alderhanne fragen wat se al as net meinimme moast. Meastentiids andere hy dat se dat sels betinke koe. Der bedarre allinne iten en boartesguod fan my yn myn eigen hûnetas; de lytsbazen soene op dy âlde swarte passe. Hiene wy beide lekker it ryk allinne! Nei de kofje wie it in healoere riden en doe waarden Frou en ik yn ‘e drokte út de auto setten. Wy rûnen tegearre sigesaagjend yn de kloft omheech en stapten dernei yn in ûnbidich grut gefaarte. Binnen troffen wy Baas ek wer by in taffeltsje mei banken. D’r wiene folle mear hûnen mei baaskes mei, faaks mochten wy mekoar efkes besnúfkje. Mei ik wol oer. In protte minsken hawwe ek niget oan my. Hoech ik net iens myn bêst foar te dwaan. Se fine myn foksbrúne kleur en pup-útstrieling moai en harkje ferheard dat ik in Labrador bin.  Fjirders in soad bern. En dy wolle my allegearre aaie fansels. Dat lit ik nammers mei nocht gewurde. Mei it sels wol graach lije. Ik skrok wol efkes doe’t d’r  trije kear in lûd kabaal klonk en de flier begûn te triljen: it gefaarte kaam yn beweging.

Goed oardeloere wiene wy ûnderweis. Doe sette Baas wer ôf en seagen Frou en ik him pas by de auto wer. Dêrnei wie it mar in kertierke riden nei it simmerhúske ta, tichtby in grut bosk. Dêr koe’k lekker drave, tjirgje en myn behoeften dwaan. Noch nea safolle dinne-appels en tûken sjoen om mei te tôgjen! Ik hie ‘t ferskuorrend nei’t sin. En wat hie’k in ferlet fan iten dy jûns! Mar wat in wurch meitsjende dei. En dit wie noch mar de earste dei…

 

 

 

 

 

 

 

Dy oare moarns betiid liet Baas my earst yn’t bosk út. Ik wie krekt los en doe kaam d’r in fjouwerspan glânzjende brúnen strak oan de line foar harren baas út it bosk yn. In ymponearjend gesicht. Stik foar stik waarden se ek loslitten en mocht ik mei harren yn ‘e kunde komme. Ik lei mysels daliks op ‘e rêch foar harren del, want jo witte it mar noait… Dat wie abslút net nedich neffens harren baas. En hy hie gelyk: wat haw ik mei harren boarte! Baas fernaam oft dit stel Setters ek op jachttraining gie. No nee, dêr wiene se ek fiersten te moai foar mei harren wielderige hier! It wiene ‘sjo-hûnen’ en neffens dy baas wie d’r sels in ferneamde wrâldkampioen by. Foar my wie hy dêr net minder om, hear. Sa eptich die hy him net foar. “Doet u haar even vast?’, frege dy man, doe’t wy werom nei it simmerhúske giene. Dat wie net nedich. Ik mei graach hûntheie mar bliuw wol by myn eigen baas at dy in oare kant út giet. Dat fernúvere dy setterbaas suver in bytsje foar in hûntsje fan amper fiif moanne!

Nei it moarnsiten giene wy om fytsen út. Ik krige krekt sa’n hûnekarre as thús. No, dat bin ik ommers wend efter Frou har fyts. Mar dit hobbele nuver. Baas fûn it ek mar swier traapjen; blykte in bân lek… Mei in nije bân gie it al better. Mar dyselde deis noch prestearde Baas it wol om dy karre twa kear oer de kop te jaaien! De earste kear sil ik net safolle fan blaffe, om’t Frou dêr ek in rol yn spile, mar dy twadde kear jage hy gewoan te hurd troch de bocht!

Lokkich bin ik fleksibel en linich. En boppe alles bliuw ik altyd fleurich… Folle leaver hie ik njonken de fyts rûn, mar dat mei noch net mei myn âldens fan amper in heal jier. Wat dat oanbelanget binne dy baaskes fan my dan wol wer foarsichtich. Út en troch mocht ik út it karke. Sa kuieren wy oer it sânstrân lâns in hiel grut wetter dat nuver smakket en wêrsto ferskuorrend toarst fan krijst. Mar ik mocht mei in hiele protte nocht los omfleane. Wat dêr net leit om mei te boartsjen!

Wy kamen troch bosken en doarpkes en oerol stoppen wy efkes en mocht ik wer út dy karre wei. En baas neat oars as plaatsjes sjitte, meast fan my fansels… Dy jûns wie ik gewoanwei bekôf en sa wurch as in maits. Ik wie bliid dat se myn eigen hûnekessen meinommen hiene wêr’t ik hearlik op koese koe!

Sa hawwe wy in wike lang eltse dei derop út west, mar it like wol folle langer. Ik mocht oerol mei nei binnen ta as Frou en Baas earne kofje dronken of sa. Ik bin sels mei út iten west. Dan joech ik my noflik del ûnder de tafel. Koe it dan lykwols net litte om in skeetsje fleane te litten. Hawar, in puppeskeet is lokkigernôch gjin tongerslach. Dy lêste jûn wie alderaarichst. Begûn de baas fan dy saak samar te sjongen! En hy song my ta as ‘The most beautiful girl in the world’. Ik wit yn de goedichheid net wat dat betsjut, mar ik haw de bêste man doe mar wakker tawispelsturte. Fûn hy moai. En ikke? Ik wol noch wolris op fakânsje!

Septimber 2018

Wa’t him fernuvert oer wêr’t de wrafkes 5 oan’t en mei 23 binne? Dy moatte noch skreaun wurde…

‘Gat in de keel’

Ken je het spreekwoordelijke ‘gat in de hand’? Iemand met dit manco geeft het geld net zo snel of, erger nog, sneller uit dan het binnen komt. Iets soortgelijks, maar dan met eten, deed zich voor bij Ushi. Dat ze ook vrouwelijk is en vernoemd naar het stereotypetje van Wendy van Dijk, is zuiver toeval en absoluut niet seksistisch bedoeld in bovenstaande vergelijking. Laat dat duidelijk zijn! Ushi is een zevenjarige lapjespoes die op zaterdagochtend bij mij op het spreekuur verscheen. Ze had een gaatje in haar keel en eten en drinken liep er bijna net zo snel weer uit als ze het naar binnen had gewerkt. Hoe het is ontstaan? Geen idee. Wellicht heeft ze zichzelf op iets scherps gespiest, maar het kan ook het gevolg zijn van een doorgebroken abces. Het geheel zag er vies en ontstoken uit. Samen met collega Lise bedacht ik een oplossing. Ik bracht haar onder zeil en maakte het gaatje wat groter om er goed bij te kunnen. Je kon van buiten zo op haar strotje kijken en het probleem zat dus in een best lastig gebied. De wond werd weer gesloten met een drain erdoor. Dat leek na afloop eigenlijk wel grappig omdat die gele drain als een vlinderdasje op haar hals prijkte.

 

 

 

 

 

 

De volgende dag wilde Ushi meteen goed eten. En alles bleef nu ook binnen! Na vier dagen heb ik de drain verwijderd en resteerde slechts het afmaken van de kuur met antibiotica en pijnstillers. Een dankbaar mailtje twee weken later met een foto van een gelukkige poes maakte mij op mijn beurt weer helemaal blij. Bovendien zijn we een nieuw spreekwoord rijker. Zeiden we voorheen nog dat als iemand maar raak kan eten zonder ervan aan te komen dat diegene wel ‘wormen zal hebben’, nu zeggen we: ‘Denk dat ie een gaatje in de keel heeft’.

Augustus 2018

Wrafke (4)

Foekje by de Swette

Pyt hie it dan wol gauris oer ‘sosjalisearjen’; no wat dat oanbelanget kinne se d’r hjirre ek wat fan! Ûnderweis by it útlitten kom ik al fan allerhanne soartgenoaten tsjin, mar ik moat my ek troch it byljend folk fan goeie kunde fan Baas en Frou ûnder de sturt begnuve litte. Om by dy kunde te kommen hoege wy net altiten mei de auto; like faak geane wy op wat sy ‘fyts’ neame. Ik kin dêr net op fansels, mar ik wurdt dan yn in karke efter dy fyts treaun. Dêr moast ik ferskuorrend oan wenne. Ik woe d’r it leafst sa gau mooglik wer útwippe, mar dat kin net om’t se my oan de hâlsbân yn dy karre fêst sette. Ik kin dan noch krekt oer de râne hingje en dat doch ik dan ek mar. Yn’t begjin jammere ik derby. Dat sil wol snoad like hawwe, mar wat kin my dat no skele. At soks by dat saneamde ‘sosjalisearjen’ heart dan mei ik bêst myn betinksten hearre litte, fyn ik. Mar by eintsje beslút haw ik my d’r mar by deljûn. It giet eins wol lekker flot en ik sjoch folle mear as yn dy tinte yn’e auto. En se fytse dochs inkeld mei moai waar; want reine, dêr hâld ik net sa fan…

 

 

 

 

 

 

 

Dizze sneintemoarn giene wy wer ris nei de Swette ta. Der troffen wy in wol hiel bysûnder hearskip mei syn saneamde ‘Frysktalige Hollânske Herder’, Foekje. Neffens Baas is dy Ids op swarte houten skuon de ‘Grutte Keunstner fan Easterwierrum’ en binne syn wurken al roastich ear ‘t se ôf binne. Doe’t wy krekt fan hûs ôfsetten, binne wy noch troch de homeie kaam werfan oan wjerskanten swiere, brúne peallen steane. Dy moat Ids ek makke hawwe. En Foekje hat er ferneamd nei in Fryske hurdrinster fan eartiids der’t wat mei wie. Wol, dizze Foekje kin ek hurd drave. Sy hoecht net mear yn ‘e karre mar rint gewoan njonken de fyts.

Ús treffen gie goed. Se hie net safolle niget oan my. Foekje is in bytsje wreed, sawol yn ‘e omgong as yn ‘e bek. Mar ‘Frysktalich’? Bylje my der net fan. Se blaft en grommelt mear Stedsk. Siz mar Liwwarders, sa‘t âldbaas Pyt dat ek sa moai kin. ‘Heerkes nog an toe, krijstou wel te vrete? Kest wel deur dyn eigen ribben skiete. Soan dunne Labrador hew ik yn myn hele leventsje nog noait sien!’ Ik bin fansels hielendal net meager. Ik haw har efkes flink op it festje spuid dat ik in echte ‘field trial’ bin. Hie se noch nea fan heard fansels! Mar fierder wie se net ferkeard, hear. Bytsje rimpen, net mear en net minder… Har baas hie just wol ôfgryslik niget oan my. Ik mei dy Ids wol lije. Syn keunsten moat ik noch wat oan wenne… Moai mantsje op houten skuon. Klompen binne dat, seit Baas. Soe ik wolris mei omtôgje wolle! Ik wie suver bliid dat ik wer yn ‘e karre mocht, want ik lei nei de kuier bekôf yn it reid mei dat waarme waar.

 

Boefke’s ‘zoogkramp’

Ruim na middernacht werd ik opnieuw gebeld door een zeer verontruste poezenbazin. Laat op de avond daarvoor had ik Boefke namelijk ook al gezien. Boef had begin juni een zestal gezonde Ragdoll-kittens gebracht. Dit was haar vierde nest en alles ging zeer voorspoedig. Tot die bewuste vrijdagavond. Ze was niet zichzelf, zakte wat door haar achterpootjes en mauwde veel. Bij mijn eerste onderzoek viel op de behandeltafel weinig op. Ja, ze had koorts. Het was mij geheel onduidelijk waardoor. Haar melkklieren waren soepel, haar buikje voelde goed en ze vloeide niet meer. Ik besloot desondanks pijnstiller en antibiotica voor te schrijven en vroeg de volgende ochtend mij op de hoogte te houden hoe het Boefke verging. Maar veel eerder werd ik dus al wakker gebeld. Boef schreeuwde veelvuldig, hetgeen ik door de telefoon ook kon horen, had de bazin aangevallen en leek te hallucineren. Ze zag dingen voorbij komen die er absoluut niet waren… Ik dacht aan ‘melkziekte’. Ik ken dat bij koeien, schapen en ook bij honden. Maar bij katten heb ik het nog nooit eerder meegemaakt, wist niet eens dat het überhaupt voorkwam. Google brengt dan uitkomst! ‘Melkziekte’ of ‘eclampsie’ wordt bij katten ook wel ‘zoogkramp’ genoemd en wordt net als bij bovengenoemde diersoorten veroorzaakt door een calciumtekort in het bloed. Bij poezen een zeldzame aandoening die zich een aantal weken ná de bevalling voor kan doen. Dit in tegenstelling tot de herkauwers, waar het juist rond de geboorte plaatsvindt. Op de praktijk prikte ik voor alle zekerheid bloed om de diagnose te bevestigen en gaf Boef vervolgens een calciuminjectie. De volgende ochtend ging het al veel beter. We spraken af dat Boef extra kalk door haar eten zou krijgen in de vorm van gewoon krijt of calciumsnoepjes. De foto laat zien dat de moederpoes inmiddels weer helemaal de oude is. En ook de kleine ‘boefjes’ maken het uitstekend!

Juli 2018

Wrafke (3)

De earste dagen

Moarns ier moast ik noch foar’t de sinne opkaam poernoadich pisje. D’r waard gjin sjoege jûn oan myn oppenearjen en doe haw ik it mar njonken myn kourke rinne litten. En net folle letter moast ik ek noch in gruttere boadskjip dwaan… By Pyt leine d’r meastentiids kranten oer de flier en hy romme ús smoargens altiten gewoan op. Hjir leit in soarte fan swilk yn myn sliepplak en dat wie ek net dreech skjin te meitsjen sa die bliken doe’t Frou it letter opromme. Sy liet my daliks nei bûten ta, mar dat wie al te let fansels. Dernei krige ik myn panne fol mei brokjes. Deselde dy’t wy by Pyt krigen. Pyt hie faaks mear as ien pântsje mei brok foar ús seizen klear stean sadat wy nea om iten hoegden te tsieren. Sadwaande bin ik ek net fûl op hûnefretten. Ik yt pas at ik d’r sin oan haw. Fanôf dizze alderearste dei makke Frou har wat dat oanbelanget dochs suver soargen om my. Mar se hoecht gjin noed te hawwen. Har ‘útiten’ fûn ik dan wol wer alderaardichst. Se ferstoppet de brokjes yn in soarte fan stuiterbal wer’t ik mei omgûchelje mei. Dat fyn ik machtich moai wurk en ik gean krekt sa lang troch oant dat ding leech is. De brokjes dy’t der út falle fret ik fansels daliks op! Doe’t der letter ris in kear besite kaam hie dy d’r niget oan om’t soks no just foar skrokkers ornearre is… Fjirder moat ik blafkje dat ik de nije brokjes fan hjirre dochs leaver haw dan dy fan Pyt. Frou mong se earst mar doe socht ik dy nije d’r lekker út!

Útsein dy earste nacht gie it de dagen dernei folle better. De grutste lytsbaas moat moarns al om seis oere de doar út en hy docht my nei bûten ta as hy oan syn iten sit. Dan jou ik my noch in oerke del en dan krij ik fan Baas myn moarnsiten. Dan mei ik alwer nei bûten ta en sneup ik wat yn’e tún om. Ik hie fan Frou al in sokkebal (in sok mei in bal deryn) krigen doe’t ik noch by Pyt en Emmy wie, mar hjir is noch folle mear spul wer’t ik mei omtôgje kin. Bygelyks in grof tou, in baltsje mei in slingerkoard en in rubberbonke. Echt fan dat puppeboartesguod.

‘Sokkebalje’

Faaks spaant dy oare âld hûn, Äicha, ek bûtendoar om en ik besykje wakker om better mei har yn ‘e kunde te kommen. Dat slagget hieltyd mear, mar as ik te drok foar har bin krij ik in blaf om ‘e earen. Frou lit ús om barren oan de rym lâns de dyk út. Somtiden geane wy ek earst mei de auto in eintsje út te riden en dan wurde wy lâns in grutte feart dy’t se de Swette neame, of by it spoar útlitten. Elts ketier giselt dêr in grut meunster mei kabaal foarby. Ik lûk my der neat fan oan. Aïcha ek net mear om’t sy no stram is, mar eartiids moat sy altiten oanstriid hân hawwe om dat kring yn te heljen. Dêr by’t spoar mocht ik ek Snuf moetsje. Wat in grutte hûn is dat. Dêr kin ús mem wol twa kear yn!

Wy koene alderbolderbêst boatsje. Mar ik skrok my dea! Ynienen rekken myn achterpoatsjes yn it lange gers gjin grûn mear en glied ik yn ‘e ûnderwâl samar de feart yn. Frou en Baas súver yn panyk. Dat wie absolút net nedich om ‘t ik gewoan nei de oare kant ta swom. Baas rûn oer in damke om it lân yn, grypte my yn myn nekfel sa‘t ús mem ek wol mei my omtôge hat en hy smiet my as in wiete dweil op it lân. Ik like wol in grouwe rôt, sei er. No haw ik noch nearne in rôt sjoen, mar dat klonk bepaald net as in komplemint… Ik krige it wol wat kâld en ik siet letter yn myn hûnetinte efter yn de auto te triljen as in juffershûntsje. Lokkich hie Frou in skûlk by de hân en hat se my wer lekker droech wreaun. Wat in aventoer, ju.

Dyselde jûns wie ik sels te wurch om myn bakje leech te iten…

 

Wrafke (2)

In nij begjin

De woansdei nei Pinkster wiene allinne Abe en ik noch oer fan ús nêst fan seis. Ik fûn it sneu foar Abe mar ik wie bliid dat ík net as âlderlêste ophelle waard troch myn nije baas en syn frou. Ik seach se al fan fierren oankommen en hie daliks troch dat ik no oan bar wie en sa sette ik myn sturt yn de heechste wyspelstân.

 

Pyt hie de triennen yn ‘e eagen doe’t wy mei syn trijen ôfsetten mar ik tocht by mysels: ‘ja fader, dan hiesto my mar net fersizze moatten!’ Ik mocht by Frou op skoat sitte yn in grut kabaalding dy’t sy ‘auto’ neame. Ik krige noch in aai oer ‘e kop fan Pyt en Emmy en dêr gong ik mei myn krapoan sân wike âld de wiide wrâld yn. Weemoedich útswaaien wie it lêste wat ik fan harren seach. Ûnderweis waard ik in bytsje mislik en ‘k moast derfan flybje. Frou hie d’r rekken mei holden en strûpte in grutte doek ûnder my del. Gelokkich duorre it net lang en sûnder koarjen kaam ik al rillegau op myn nije wenstee. De ûntfangst dêr wie alderhertlikst. D’r wenje hjirre noch trije grouwe jonges thús dy ‘t my om bar oankrûpe woene. Mar boppedat wennet hjir ek noch in âld sok. Sy soe wolris muoite mei my ha kinne en dus setten wy op ‘e nij wer ôf nei in ‘neutraal gebiet’ om elkoar te moetsjen. Ik waard yn myn nije reistinte efter yn ‘e auto treaun en dêr gongen wy wer. Ja ho’ris, tocht ik, wat sille wy no ha! Ik seach neat, ‘k wist alhiel net wat my te wachtsjen stie en dat sille jimme witte ek! Sadwaande haw ik hearre litten dat ik fan de wolven útskaai. Mar it duorre grif noch gjin fiif minuten en doe mocht ik mei dy âlde swarte yn ‘e kunde komme. Aïcha neame se har. In swarte labrador fan mear as fjirtjin jier. No, sa swart as ús mem is se net mear; sis mar sulvergriis. Foaral om ‘e snút en ûnder de sturt. En se rint wat krebintich mar wa seit my hoe’t ik noch omspaan at ik sá âld wurde mei..? Sy fûn my wol wat drok, mar ik haw neat oars dien as har om ‘e bek ôfslikje en der is gjin ferkearde blaf fallen, lit stean biten en grommen… Ik haw har daliks ûnderdienich merke litten wat myn plakje is en dat sil foarearst fêst sa bliuwe at it oan my leit. Fansels hat sy de âldste rjochten hjirre. Faaks kin ik ek noch in protte fan har leare. ‘At dat mar net it ferkearde is’, seit Frou perfoarst. No, dat sil de tiid leare.

Doe gongen wy werom nei myn nije stee en lieten se my myn sliepplak sjen. In grutte koai gewoan yn ‘e húskeamer. Ik krige wat brokjes dy’t Pyt meijûn hie, mar der hie ‘k noch gjin ferlet fan en doe haw ik my daliks deljûn yn myn hûnekuorke. Dat is dúdlik earder brûkt, mar dat makket my neat út om’t it hûnebêd deryn skjin is.

Op ‘e neimiddei haw ik wakker yn ‘e tún boarte mei eltsenien en bin ik al oan in halsbân de strjitte út west. Wat in dei. Ik wie dy jûns folslein út ‘e liken! Safolle nije yndrukken, nije gesichten en sa. Yn it lân efterhûs haw ik bygelyks mei niget hiele grutte swarte en wite skepsels sjoen dy’t net blaffe mar blête. Hiel nijsgjirrich! Doe ‘t it letter op ‘e jûn stil en tsjuster waard yn ‘t hûs miste ik ús mem en myn bruorkes dochs wol ferskuorrend. Pyt hie in stik tekken fan ús nêstkoer meijûn en dat joech my treast. Dochs moast ik súntsjes jammerje. Mar dat hat noch gjin kertier duorre, doe foel ik as in blok yn sliep…

 

Wrafke (1)

De nêsttiid

Myn namme is Afke. Folút ‘Afke fan it Fryske Wetterlân’. Berne yn it Ljouwerter Âldlân op 1 april fan dit jier en dat is gjin grapke. Ik bin d’r ien fan seis; ik haw fiif bruorren. Harren nammen binne ek like Frysk as dy fan my. Wy binne lykwols net fan it Fryske ras mar Labradors fan it jachttype. Ús mem wennet by Pyt & Emmy en dy. Sy hawwe al wol faker ris wat oan fokkerij dien, mar wy wiene ús mem har earste nêst. Mem is swart as de nacht, heit haw ik nea sjoen, mar hy moat in grutte blonde âldfader weze. Ien mei sterke genen want wy binne alle seis blond. Giel stiet op myn stambeam mar dat is gewoan net wier, ik bin eins foksbrún. Folle moaier!

Ik haw in gouden tiid hân by Pyt en Emmy. De earste twa wike krijsto d’r net sa folle fan mei want wy leine allinne mar wat by ús mem oan it jaar te sobjen en fjirders in protte sliepe fansels.

En nei njoggen dagen geane dy de lûkjes iepen, mar dan sjochsto noch gjin poat foar d’eagen. Pas nei trije wike kinsto wat omskarrelje en krijsto ek ris wat oars as memmetate. Ús mem wie ferskuorrend wiis mei ús en wy groeiden as koal. It alderlekkerst fûn ik sliepe op in grutte bult boppe op myn bruorren. Hearlik! Mar ik fûn it ek prachtich at de lytse faam oer de flier kaam om te boartsjen. Foaral doe’t wy wat letter mei moai waar ek yn ‘e tún omslaan mochten. En baas Pyt? Och, hy hat wol wat de namme fan in gnoarrepôt, mar hy wie sa grutsk op ús! Hy hat geweldich op ús past. It wie altiten sûkerskjin en wy krigen net allinnich fan dat lytsehûnefretten. Faaks hie Pyt guozzefleis of soksawat; dan slikken wy mekoar de bek ôf! Mar hy jage ús sa no en dan wol de skrik oan. Fansels wiene wy dêr gau klear mei. No ja, allinne myn broerke Epke hat ienris in healoere fan’t hynder west doe’t Pyt mei dat grutte lawaaiding stie te gûcheljen en te blazen, mar fjirders stiene wy syn fiten. Tsjin de besite sei er dan dat er al drok oan it ‘sosjalisearjen’ wie. Ja hear…

 

Dy nêsttiid fljocht om. Doe’t wy seis wike wiene kaam de karmaster fan it Hûneferbûn. Dy besjocht dy en jout dy in dikke spuit yn ‘e nekke. Dan wurdsto in nûmer yn it grutte stambeamboek. In pear dagen letter krigen wy allegearre nochris in spuit fan myn nije baas. It sil wol goed foar ús wêze, mar om my hie dat net hoegd. Dernei hawwe wy noch in goed wike wakker wille meielkoar hân en mei Pinkster waard de iene nei de oare fan ús ophelle. Myn bruorren waard suver om tsierd, mar ik wie al fersein oan de frou fan de bistedokter. Har werkenbere stimme hie’k op 1 april al heard, doe moat se op kreambesite west wêze. Pyt hat har goedkard, oars hie hy my sels holden, sei er. En de bistedokter? Dy hat suver neat oan ús fertsjinne om’t wy út in sûn laach komme. Ik haw him dus allinne mar jild koste. Hy tinkt nammers dat er myn tinzen ferwurdzje kin. Hawar, ik lit him mar yn dy waan. Ik bin lykwols bang dat der mear ‘wrafkes’ folgje sille…

Jong grut (2)

Elk jaar opnieuw beginnen de schapen te lammeren rond half maart. Dat is niet toevallig natuurlijk, want we laten de ram er pas vanaf 20 oktober bij. Dit was een heel vruchtbaar seizoen: een groot aantal ooien bracht een drieling, eentje zelfs een vierling! De lammeren doen het heel goed, al groeien de meerlingen wat minder snel uiteraard. Inmiddels hebben de schapen hun jas al ingeleverd en het aantal zwarte schapen neemt hand over hand toe zodat het weiland steeds bonter kleurt.

Ook Stippel bracht een drieling

Dan werden we half april door de buren via een foto-app ‘gewaarschuwd’ dat we nieuwe bewoners bij de vijver hadden gekregen. Natuurlijk hadden we het zwanenechtpaar wel gesignaleerd, maar dat het stel had besloten in onze tuin te nestelen, daar hadden we nog geen notie van. Er werden vijf eieren gelegd. Op 30 mei merkte ik enige reuring en bleek warempel dat een drieling het levenslicht zag. Het paar wachtte een dag op het vierde ei, maar dat bleek onbevrucht. En het vijfde ei was verdwenen…

Inmiddels zwemt het gezin in de vaart en bezoekt ook geregeld onze vijver. En de drie ‘lelijke eendjes’ groeien als kool.

Soms heel apart even zonder toezicht

In onze vijver bij de zwanenbloemen

En een paar dagen later kwamen de waterhoentjes ook met een drieling tevoorschijn. Een mooi gezicht hoe de ouders beurtelings de kuikens wat voeren.

Maar ook dat de beide ouders aandacht voor elkaar hebben na deze vermoeiende broedtijd… Ze laten de drieling even compleet aan hun lot over. Het verbaast dan ook niet dat er een paar dagen later nog maar twee over zijn.

Onderwijl brengt de moedereend haar zesling gewoon compleet groot!

Dan de pimpelmezen. Wat hebben die ouders het druk! De jongen groeiden als kool en verschenen zo nu en dan om de beurt voor het aanvlieggat.

Beide nestkastjes zijn ondertussen leeg; alles is inmiddels uitgevlogen.

 

 

 

 

 

 

Dan zitten er nog een lijster en en merel in de tuin te broeden; de winterkoninkjes zijn al uitgevlogen. En wellicht is er nog veel meer jong grut op ons erf waar ik helemaal geen weet van heb. In ieder geval is al dat jonge leven iets waar ik onmiskenbaar heel vrolijk van wordt. En onze jonge aanwinst, Afke fan it Fryske Wetterlân? De labradorpup? Daar kunnen we ondertussen al een boekje over vol schrijven. Dat komt in een apart column! Wordt vervolgd. Dus houdt de site in de gaten!

Jong grut

Het wemelt van de jonge fauna bij ons om huis en haard. Het zijn niet alleen de lammetjes die over de polderdijk rennen, ook in de tuin broedt van alles of heeft het jonge grut inmiddels de eierschaal verlaten. En last but certainly not least: er scharrelt sinds kort een puppy door het huis!

De meerkoeten en waterhoentjes zitten nog te broeden in de rietkraag, evenals het zwanenechtpaar dat sinds dit voorjaar zijn domicilie bij ons in de tuin tussen de oude en de nieuwbakken vijver heeft gekozen. Prachtig! Afwisselend worden de vijf eieren warm gehouden door vader en moeder knobbelzwaan. Ik mag er absoluut niet in de buurt komen, want dan wordt er uitermate boos gekeken. Zelfs de lammeren krijgen een waarschuwend blaasconcert agressief naar hun koppies geslingerd als ze te dicht bij de vijver komen. Zeer binnenkort verwacht ik dat de vijf ‘lelijke eendjes’ te water zullen worden gelaten, want de broedtijd van 38 dagen is bijna om.

Vooralsnog hebben de eenden met hun kroost de korven als eerste verlaten. Er zwemmen al een aantal grote scharen rond. Voorgaande jaren was het vaak net als het verhaal van ‘de tien kleine kroeskopjes’ aftellen geblazen, maar deze lichting moedereenden is beter bedreven in het grootbrengen van het voltallige legsel. Wellicht speelt de buurman hier een bevoogdende rol in. Hij wist namelijk de kraaien te verhinderen te nestelen in de hoge bomen aan de weg…

Ook de nestkasten zijn goed bevolkt. Bij de vijver zit een koolmees te broeden en in twee andere kasten huizen pimpelmezen. Het ene heeft een wel heel bijzonder huisje uitgekozen. Dat is beschilderd met een heuse hondenkop. Die heeft hen blijkbaar niet weerhouden van hun uitbreidingsdrift. De beide ouders vliegen af en aan om hun inmiddels uitgekomen zestal van etenswaar te voorzien. Het grappige daarbij is dat als onze zwarte hond en eveneens gitzwarte poes er in de buurt rondscharrelen, de ouders net zo lang in de naastgelegen treurberk wachten met aanvliegen totdat het ‘ongedierte’ uit het zicht is verdwenen. Daarna haasten ze zich naar het gat van hun nestkast onder de net zo zwarte hondenkop! Onvermoeibaar vliegen ze maar heen en weer om de schier onverzadigbare jonkies te bevoorraden. Zelfs als ze bij het verlaten van de kast plotseling recht in mijn lens kijken, laten ze zich niet weerhouden.

Koolmees

Pimpelmees

Op 1 april werd Afke geboren. Nee, het is geen grap. Nu is ze acht weken oud en dreutelt ze bij ons door het huis. Ze mist haar moeder en haar vijf broertjes. Die moeder is een zwarte labrador, haar vader een blond exemplaar. Ondanks de dominantie van de zwarte kleur van moeders werden er 6 blonde pups geboren. Wie een beetje verstand van statistiek heeft, weet dat de kans om de staatsloterij te winnen groter is! Voor ons is Afke dan ook meer dan een lot uit de loterij.

Afke fan it Fryske Wetterlân

Het is een geweldig open hondje dat erg op mensen gericht is. Leergierig en ondernemend. Nu al een handenbindertje… En wat vindt onze ouwe grijze van de nieuwe aanwinst? Op 31 mei zal ze veertien worden. Dat is en zeer respectabele leeftijd voor een labrador. Gisteren heb ik haar nog ‘onder het mes’ gehad. Een ontstoken wrat zat haar dwars. Ze herstelde  weer goed en moet nog een beetje aan de jonge aanwinst wennen. Afke doet heel beheerst pogingen om te spelen, maar dat is nu nog iets teveel van de ouwe gevraagd…

Ik zal al het jonge grut volgen en houd je op de hoogte!

Mei 2018

 

Het hamsterleed van Lady Gaga

De veelzijdige kwaliteiten van Farrokh Bulsara, beter bekend als Freddie Mercury, zijn alom geroemd en geprezen. Zelfs zijn teksten waren onnavolgbaar, luister maar eens goed naar de ‘Bohemian Rhapsody’. Een ander lied van Queen, Radio Gaga, schalde vanaf 1983 door de ether en was juist niet van zijn hand, maar Mercury heeft er natuurlijk wel uitdrukkelijk zijn stempel op gedrukt. Drummer van de band Roger Taylor schreef deze song met de nostalgische tekst over de opkomst van de visuele media ten koste van de radio. De titel ontstond uit een brabbel van zijn zoontje. Drie jaar later zag Stefani Germanotta het levenslicht. In 2009 brak deze Amerikaanse singer-songwriter door als Lady Gaga. Haar naam ontleende ze aan die hit van Queen. Nog eens zeven jaar later werd een Russisch dwerghamstertje geboren. Ze kwam onder de hoede van een kleine meid die haar ‘Gaga’ doopte. Juist ja, naar die beroemde zangeres…

Gaga is een levenslustig dierke dat zich wonderwel vermaakte in haar ruime hamsterverblijf. Tot twee weken terug. Een grote bult uit haar bekkie belette haar het eten. Al googelend kwam de kleine bazin tot de conclusie dat de wangzak wellicht binnenstebuiten was gekeerd na een wat te enthousiast ledigen daarvan. Ze kwam bij mij op het spreekuur en ik had er nooit van gehoord, laat staan het ooit gezien. Gaga is een dierke met pit en voor ik er erg in had hing ze in mijn vinger. Ik nam het de lady niet kwalijk en besloot dat ik een poging moest wagen tot herstel. We spraken af dat Gaga de volgende dag voor operatie terug zou komen.

Het valt niet mee een beestje van 30 gram onder zeil te brengen, laat staan daarvoor überhaupt een prik te geven. Het lukte me een druppeltje narcotica in haar billetje te spuiten en warempel, daar ging ze prachtig op slapen. Ik amputeerde vervolgens het ‘gezwel’ uit haar bekje, dat zich door uitdroging niet meer verder liet definiëren als zijnde een binnenstebuiten gekeerde wangzak. Maar het zou heel goed wel het geval kunnen zijn geweest. Daarna injecteerde ik opnieuw een drupje om de narcose ongedaan te maken. Ze kwam prima bij en ze verstopte zich snel in haar nest.

Een paar dagen later kreeg ik het sein dat Gaga het goed maakte. Ze at weer en ‘het gezwel’ bleef weg. Restte mij nog te memoreren dat het wellicht beter was dat Gaga haar linker wangzak niet opnieuw probeerde vol te stouwen. Ik liet het graag aan haar baasje over om haar dat kenbaar te maken.

Precies een week later kreeg ik op vrijdagavond een spoedgeval: twee Russische dwerghamsters waren elkaar verschrikkelijk te lijf gegaan. Daarbij werd ‘Bolletje’ zodanig verwond alsof de ander met een klein cirkelzaagje had geprobeerd hem te ‘onthoofden’. Over driekwart lag de huid in hals en nek los. Bolletje liet zich erg moeilijk prikken en was dus absoluut niet te verdoven. Dus stopte ik het hamstertje in zijn geheel in ons gasnarcoseapparaat. Dat hielp. Ik hechtte zijn kraag weer dicht en na een week bleek Bolletje het nog steeds prima te doen. Vanaf dat moment noemt ons team op de praktijk mij de ‘Hamsterspecialist’. Wow, ik loop nog net niet naast maat 46.

Chirurgie boven de poolcirkel

In de zomer van 2015 trok ik samen met mijn vrouw Lia door het hoge noorden van Europa. ‘Safari boven de poolcirkel’ noemden we die vakantie destijds. We bezochten er onder meer in Fins Lapland een huskyfarm en waren daar zo van onder de indruk dat we besloten er in de winter ooit nog eens terug te keren. Het jaar daarop was het al zover. Een week lang vertoefden we in de vrieskou en proefden er allerlei Finse winteractiviteiten. We gingen langlaufen, rausden op de sneeuwscooter en bezochten een rendierfarm. En ook maakten we op een middag een heuse hondensleetocht van een paar uur. Daar genoten we zó enorm van dat we besloten ooit nog eens een paar dagen achtereen een ‘huskysafari’ te gaan maken.

Begin februari was het zover. Het zou een bizar fantastische en werkelijk onvergetelijke ervaring worden! Vijf dagen achtereen trokken we onder leiding van ervaren, no-nonsens gids Piita in een groep van 8 personen met ieder een eigen slee met 4 of 5 husky’s van de ene naar de andere blokhut onder barre omstandigheden. Verstoken van de dagelijkse luxe, zonder elektriciteit en stromend water en ver van de bewoonde wereld. De eerste paar dagen was de temperatuur bijna 30 graden onder nul, wat zelfs voor Lapland behoorlijk extreem was. Doch het weer was prachtig helder, hetgeen de ‘fotogeniciteit’ uitermate ten goede kwam. Gelukkig had ik een prima batterij in mijn camera; die van m’n telefoon ‘overleed’ al binnen een half uur… We hakten gaten in een meer of rivier om onszelf van water te voorzien, stookten houtvuren om te koken en te verwarmen en wasten onszelf in de sauna. Ieder had de verantwoordelijkheid over zijn eigen slee met honden. Zo spanden we zelf de husky’s in, verzorgden en voerden ze en hielden ze in toom als we onderweg waren. Een lange sliert van 8 sleden met in totaal 39 honden. De gids steevast voorop, zelf was ik, soms letterlijk, hekkensluiter. We bevonden ons in gemêleerd gezelschap van een Welshman met zijn geëmigreerde Duitse echtgenote, een Brits echtpaar en een jonge Chinese vrouw. De voertaal was Engels. Enerzijds was het Spartaans, zonder privacy; anderzijds super gezellig, vriendschappelijk en saamhorig. Immers uitsluitend gelijkgestemden zullen zo een reis samen willen en kunnen maken.

Uiteraard sprak Lia en mij het contact met de honden het allermeeste aan. Wat een drive en spirit gaat er van die dieren uit! Onvermoeibaar en bijzonder gehard. Met gemak legden we 30 tot 40 km per dag af. Moesten wij ons behelpen met zoveel mogelijk laagjes isolerende kleding, de husky’s beschikten ‘s nachts slechts over een strobedje in de sneeuw. Gewoon in de open lucht. Ze kregen voor de helft vers vlees, dat we ontdooiden met kokend water, en voor de andere helft brok. Alle hondenteams waren redelijk in balans, maar soms moest er door omstandigheden verwisseld worden. Piita wist welke combinaties vertrouwd waren en welke niet. Soms echter gebeurde er iets onverhoeds. Zo verloor een van onze metgezellen meteen na de start op een ochtend haar telefoon in de sneeuw. Dat oponthoud deed een van de teams zodanig ontsporen dat er kluwen van vechtende honden ontstond. Immers, opgefokt als ze zijn om te rennen en dan meteen weer te moeten stoppen en wachten is voor sommige individuen iets te veel gevraagd. Met als gevolg dat zomaar de vlam in de pan slaat. De kluwen ontwarren was al een opgave. Je kunt zelf namelijk snauwen oplopen en bovendien raakten de treklijnen ook nog eens totaal in de knoop. De twee grootste vechtersbazen hadden elkaar danig toegetakeld dat er een dierenarts aan te pas moest komen. De dichtstbijzijnde  kliniek was 200 km verderop. Maar gelukkig zat er ook een bistedokter in het team! En dus kon ik mijn professie tentoon spreiden door de wonden te hechten.

Ik vroeg Piita of binnen haar reisgezelschap wel eens ruzie ontstond. Zelden, zo verklaarde ze. Slechts een handgemeen tussen een Duitse en Hollandse jongeman had ze ooit eens meegemaakt. Over voetbal, wellicht? En twee Franse kenaus raakten zo verhit dat ze elkaar in het kampvuur poogden te duwen. In onze groep overheerste Engelse humor en werden vriendschappen gesloten voor veel langer dan die ene week.

Elke ochtend werden als eerste de honden weer gevoerd. Rond acht uur zaten we zelf aan het ontbijt. Daarna werd de blokhut opgeruimd, de vuren gedoofd, de honden ingespannen en tegen half tien gingen we op pad. Door schier oneindige bossen, over meren en heuvels met prachtige vergezichten. Tussen de middag een lange pauze met een kampvuur waarop de lunch werd bereid. Dan tot een uur of drie, half vier naar de volgende bestemming. Onderweg ging de communicatie vooral met tekens door middel van handgebaren. Gesproken instructies en waarschuwingen van Piita bereikten mij als laatste soms behoorlijk gedeformeerd. Een steile afdaling met een scherpe bocht naar links naar de volgende lodge kwam door als: ‘I believe we’re going to a curved cottage’, gevolgd door een lachsalvo van de Welshman voor mij. Menigeen stuiterde onderweg van de slee, wij bleven gelukkig op de been. Heuvel op moest je steppen om de honden te ontlasten, naar beneden vol op de rem om niet over je eigen husky’s heen te roetsjen.

Eenmaal op de nieuwe slaapplek werd er vuur gemaakt, water gehaald, bevroren vlees in mootjes gehakt, gesmolten en aan de honden gevoerd en voor onszelf gekookt. En er was tijd voor persoonlijke verzorging in de sauna. Rond tien uur gingen we plat, meest in stapelbedden. En in de nacht trachtte een ieder het (eenvoudige poepdoos) toilet bezoek zoveel mogelijk te beperken. Want dat was bepaald geen pretje, vijftig meter van de blokhut bij -28°C. Volledig aankleden was meer dan vereist…

Wolven komen voor in Finland, maar we hebben ze niet gezien. Soms leken we ze te horen, maar dan bleken steevast onze eigen husky’s te ‘huilen’. Van ander wild zagen we uitsluitend sporen in de sneeuw. Het Finse winterlandschap was betoverend en heeft een onuitwisbare indruk achtergelaten. Kortom: Lia en ik hadden deze reis nooit willen missen en zullen die ervaring koesteren als een onvergetelijk en heel groot goed.

Water zoeken

Honden voeren

Pauze

 

Lia

Ondergetekende

Februari 2018

 

 

De Verandering

Jarenlang draaide onze praktijk in een vaste samenstelling. Wellicht met een uniek concept. Vier dierenartsen samen met hun meewerkende partners. In een paar jaar tijd is er enorm veel veranderd. Jonge collegae deden hun intrede, de praktijk is de hele dag open en vanaf oktober heeft Sabine naast Janet haar intrede gedaan als assistente. Parttime werken wordt normaal en de digitalisering heeft een vlucht genomen. Nieuwe apparatuur maakt ons het werken makkelijker en doet de dienstverlening verbeteren. Dit allemaal om jouw dier beter te maken of gezond te houden.

Nu staat er opnieuw een grote verandering voor de deur. Na het vertrek van onze ‘nestor’ en zijn vrouw drie jaar geleden, gaan Eric en Ingrid Havik onze maatschap per februari 2018 verlaten. Dat is bepaald niet uit weelde, gezondheidsredenen vormen helaas de aanleiding daartoe. Opgeven staat meestal niet in het vocabulaire van een veterinair. Maar als steeds vaker ‘de wâl it skip keart’, moet het verstand zegevieren. Net als ik is Eric het afgelopen jaar al wat minder gaan werken, maar het biedt hem te weinig soelaas.Eric en Ingrid kwamen na een periode in Canada en vervolgens in Groningen te hebben gewerkt in 1992 naar Grou toe. Net als Lia en ik woonden ze eerst een paar jaar in de praktijk: het kantoor was woonkamer en de huidige OK de slaapkamer. Later settelden ze zich op De Tichtset in Grou. Jarenlang waren Eric en ik de vaste aanspreekpunten op het spreekuur; net zoals Ingrid met de andere partners bij de balie. Na vijfentwintig jaar samenwerken vorm je een hecht team. Je kent elkaars sterke en minder sterke punten en je vult elkaar daarin juist prima aan. Het is bekend met welke handeling, cliënt of wat voor dier de één meer en de ander minder affiniteit heeft en dat vang je van elkaar op. Bij operaties konden Eric en ik elkaar blindelings vertrouwen. Er was een vaste verdeling van taken en handelingen en het voelde apart als we ineens van plaats aan de operatietafel wisselden. Opvallend was vooral als één van ons even geen oplossing zag bij een moeilijke patiënt, de ander ineens met een nieuwe invalshoek op de proppen kwam, zodat we weer verder konden.  Nooit onenigheid? Natuurlijk wel, wat dat betreft is een maatschap net als een huwelijk. Aan deze hechte samenwerking zal een eind komen. Dat vind ik oprecht jammer. Maar het biedt ook nieuwe uitdagingen. Aan opvolging wordt namelijk naarstig gewerkt. De gemiddelde leeftijd in onze praktijk daalt rap. En dat is maar goed ook. Nieuwe inzichten en moderne technieken doen hun intrede en maken de praktijk beter. Ondertussen blijven we met bezieling, kwaliteit en dienstbaarheid hoog in het vaandel trouw aan ons logo: met hart voor dieren, in het hart van Fryslân.

Ik wens, mede namens mijn collegae en onze partners, Ingrid en Eric samen een hele goede tijd toe. We zullen ze missen.

Januari 2018

 

Spagaat

De medische wereld in het algemeen en de dierenarts in het bijzonder ligt momenteel behoorlijk onder een vergrootglas. Gaat het niet om het handelen, dan gaat het wel om de kosten. Ik stel diagnoses en schrijf medicijnen voor die ik verkoop uit onze eigen apotheek. En het is duidelijk de bedoeling dat ik uitsluitend medicatie inzet als dat strikt noodzakelijk is. Zeker bij antibiotica. Antibiotica zijn belangrijk om ziekteverwekkers te bestrijden, zowel bij mens als dier. Ongebreideld gebruik van antibiotica kan ervoor zorgen dat bacteriën daarvoor minder gevoelig, c.q. resistent, worden. Zeer gericht en uitsluitend als het echt nodig is zet ik antibiotica in. Want we willen al helemaal niet dat medicijnen niet meer helpen als we zelf ziek worden. Dit probleem stuit toch geregeld op onbegrip bij bezorgde baasjes. ‘Waarom mag ik diezelfde zalf, pillen of spray als vorig jaar niet zomaar even bij de balie ophalen? Waarom moet er eerst een dure kweek of test gedaan worden? Waarom een kostbaar consult als het zo ook wel duidelijk is?’ De afweging tussen wat medisch noodzakelijk en ethisch verstandig is en wat een cliënt daarvan vindt, laat staan wat deze te besteden heeft, brengt me soms in een pijnlijke spagaat. Maar uiteindelijk staat het welzijn van de patiënt voorop. En in verreweg de meeste gevallen weet ik baasjes te overtuigen welke weg de beste is om te bewandelen. Ik combineer daarbij wat ik geleerd heb met ervaring. Maar ook ik moet me houden aan de regels die medici en overheid met elkaar hebben afgesproken om te kunnen blijven vertrouwen op de werking van medicijnen. Zonder daarbij in spagaat te geraken…

November 2017

Afscheid op afstand

Benauwd hijgend zat Spencer voor mij op de behandeltafel. Zijn hart fladderde in z’n dertien jaar oude borstkas, een pols kon ik nauwelijks meer voelen. Een blauwgrijze tong hing uit z’n bekkie. Van de waardigheid van zijn voorname roepnaam was verdraaid weinig meer over. Natuurlijk wilde ik gevolg geven aan zijn om hulp smekende ogen, maar dat was tegen beter weten in. En natuurlijk kon ik hem wel helpen; ik zou hem uit zijn lijden kunnen verlossen. Probleem was dat de baas en de vrouw op vakantie waren naar het prachtige IJsland. Dochter en schoonzoon hadden zich zolang over het oude heerschap ontfermd. Er waren al langer ouderdomskwaaltjes bij de Franse bulldog, maar deze benauwdheid was erg snel op komen zetten. Ik legde uit dat het hart het heel lang kan verstouwen en probeert problemen te compenseren. Maar als dat niet meer lukt, dan kan het heel snel bergafwaarts gaan. Dat was nu dus het geval. Er werd telefonisch contact gelegd met het eiland vlak onder de poolcirkel en dat lukte wonderwel vrijwel meteen. Typisch voor het dunbevolkte Noord Europa: de infrastructuur op het gebied van telecom is daar uniek. De situatie werd uitgelegd en de beide baasjes hadden aan een half woord van mij genoeg, ondanks dat we mekaar nog nooit ontmoet hadden. Ik zet het welzijn van het dier altijd voorop, juist ook in dit soort gevallen. En een stukje van de zorg die je een dier levenslang hebt geboden is dat je in moet grijpen als dat nodig is. In dat geval is levensbeëindiging de enige juiste oplossing. Humaan gebeurt dat meestal palliatief, dieren brengen we in een diepe slaap die uitmondt in een hartstilstand.

De ouwe viervoeter werd door de telefoon liefkozend toegesproken, maar het drong nauwelijks tot het benauwde beest door. En dat ondanks dat het echtpaar op het telefoonschermpje in beeld was; voor hen was het juist waardevol dat ze hem ook konden zien. Al vrij snel daarna deed ik een stuwbandje om de rechter voorpoot, zocht de ader op en bracht langzaam een overdosis slaapmiddel in de bloedbaan. Vrijwel live konden de baasjes het ritueel volgen, zij het op 2500 km afstand. Het benauwde hijgen stokte en langzaam raakte Spencer in de eeuwige slaap.

Daarna komt onherroepelijk de volgende vraag: wat te doen met het stoffelijk overschot. Er zijn drie mogelijkheden. Het kan bij ons op de praktijk achterblijven. Wij zorgen dan voor de afvoer via de kadaverdienst. Voor veel diereigenaren is dat een weinig aanlokkelijk vooruitzicht om hun dierbare viervoeter in een grote bak met dooie beesten te zien verdwijnen… Het is trouwens een fabeltje dat ze dan zouden terugkomen als veevoer. Daarnaast is er de mogelijkheid van het dierencrematorium. Elk dier kan individueel worden verbrand en de as kan bewaard worden in een urn of verstrooid waar men wil. Tot slot is er een speciale dierenbegraafplaats. Maar als er plek is, mag dat ook in je eigen tuin. Dat gebeurde met Spencer. Wellicht op de plek waar ie altijd ronddartelde heeft hij zijn rustplaats gekregen.

Oktober 2017             

Volle bak bij Puppyparty van 26 september!

Als een pup voor de eerste keer bij ons op het spreekuur komt, is de dierenarts meteen een beetje de boeman. Het mondt immers vrijwel altijd uit in een prik. Ook al staan we daarna met een lekker brokje klaar ter compensatie; de pup zal een beetje een nare associatie met de spreekkamer houden. Daar doen we sinds vorig jaar wat aan! We maken puppyklasjes om de pup aan de praktijk te laten wennen en om baasjes tegelijkertijd van allerlei informatie te voorzien. Hoe maak ik het voor de pup leuker en hoe kan ik hem of haar laten wennen aan onderzoeken? Dat is voor de eigenaar zelf ook heel handig als deze later zelf bepaalde (be)handelingen moet verrichten.

Afgelopen dinsdag 26 september was het weer zover. Maar liefst zeven pups kwamen over de praktijkvloer. Hieronder volgt een impressie.

De deelnemers Lily, Kai, Faemke, Alpha, Indy, Keeley en Naura:

 

 

 

 

 

 

 

                                                                       

 

 

 

 

 

 

         

De Kennismaking:

De Uitleg van Lia:

 

De oefening:

 

De aandacht:

 

 

 

 

 

 

De versnapering voor pup en baas:

De behandeltafeltraining:

De interim ‘assistente’ Nova:

 

Het spel:

 

 

De surprise:

 

 

 

 

 

 

Uitgeteld…

4 oktober 2017

 

Pas op met voeren!

Ik kreeg onlangs een paar verontrustende mailtjes. Dat je moet oppassen met het snoepen van chocolade bij honden, is onderhand vrij algemeen bekend. En dat de humane pijnstillers paracetamol en zeker ibuprofen giftig zijn voor hond en kat, idem dito. Maar dat er vorige maand een hond stierf door het eten van een stuk Peijnenburg koek? Je leest het goed, ja. Koek! Het gaat hier overigens niet zozeer om het merk, want het had net zo goed een ‘Snelle Jelle’ kunnen zijn van bijvoorbeeld Ketellapper. En dan niet de gewone kruidkoek, maar de ‘suikervrije’, de ‘Zero’ of de ‘0%’. Xylitol zit daar in. Daar kan een hond of kat niet tegen. In tegenstalling tot bij ons mensen wekt deze zoetstof bij sommige diersoorten juist een verhoging van de insulinespiegel op, waardoor het suikergehalte in het bloed  rap onder de norm daalt. Hierdoor ontstaat een flauwte met sterfte als gevolg, als er niet op tijd wordt ingegrepen. Ben je er wel tijdig bij, dan kan er alsnog een leverprobleem volgen… De remedie? Geen producten voeren met xylitol of aspartaam als suikervervanger erin. Sorbitol kent dat gevaar minder. Als je ontdekt dat het kwaad toch is geschied? Meteen de dierenarts bellen om jouw viervoeter te laten braken! Meer weten over de meest voorkomende ‘vergiftigingen’ van onze geliefde huisdieren?Een ander vervelend bericht was het sterven van een hond na het eten van rauw vlees. Met rauw vlees wordt bedoeld onverhitte voeding die diepgevroren of koel bewaard wordt. Naast vlees kan dat ook orgaanvlees, vis, gevogelte, botten, melk of eieren bevatten. Nu zijn we daar al niet zo’n voorstander van, juist vanwege de risico’s van de verspreiding van allerlei ziektekiemen en parasieten, waarvan vele ook besmettelijk zijn voor mensen. Hier ging het om een uiterst besmettelijke Brucella bacterie. Deze is berucht vanwege het veroorzaken van abortus. Het fnuikende is dat er eerst heel vage klachten kunnen ontstaan en dat ondertussen de infectie akelig wordt verspreid. Ook naar mensen toe! De bron? Hazen uit Zuid Amerika. Gaat de bacterie niet dood in de vriezer? Neen… Het voeren van brok(jes) lijkt dan wel niet natuurgetrouw; het is wél veilig. En laten we eerlijk wezen, de gemiddelde huishond en -kat kan er heel erg oud mee worden.

Kortom: weet wat je hond eet!

September 2017

 

 

 

Vladimir, ‘n ouwe bekende

Geen idee of ie naar de grote Russische leider Vladimir Vladimirovitsj P. is genoemd. Vanwege de overeenkomst in gelaatstrekken? Want over de verstandelijke vermogens kan ik me maar beter niet uitlaten. Wat dat betreft heeft ‘onze’ Vladimir namelijk zijn beperkingen. Als ie op de kattenschool zou zijn gegaan, had ie vast een rugzakje gekregen. Deze kater is een ouwe bekende van mij. Tien jaar geleden heb ik hem al eens thuis opgenomen na een onbezonnen oversteek die hij net niet met de dood heeft moeten bekopen. Wel liep ie toen een zware hersenschudding op. Ik schreef mijn verhaaltje terwijl hij dizzy naast me zat. Ik kon niks extra’s meer doen en bracht dan maar een toost uit op Vladimir: ‘Na zdoróvje!’ Geen idee of het zou helpen en ik vroeg me af wiens kater de volgende ochtend het grootste was…

Een jaar later had Vladimir een blaasverstopping en moest ie weer in de opname. Daarna zagen we hem negen lange jaren niet meer terug. Tot vorige maand. Die laatste kwaal speelde opnieuw op en hij kon absoluut niet plassen. Een katheter bracht verlichting. In zijn gedrag was de inmiddels wat oudere jeweetwelkater nog steeds apart. Veel lawaai en blazen als je binnenkomt, maar kopjes geven als je met ‘m bezig gaat. Helaas ‘ferpofte’ hij het om bij ons in de opname te eten. Dat is lastig, want die katheter moet minimaal drie dagen zitten. Met kooi en al naar huis, lekker in de eigen omgeving. ‘Liket my foar dy ek better’, aldus oppaspake Hoite, ‘dan rekkest ek net wer oan de drank!’

Augustus 2017

Nuchter?

‘Denk je eraan dat je de avond tevoren na acht uur de brokjes wegzet? Drinken mag ’s nachts nog wel, maar die ochtend graag nuchter brengen.’ Grapjes over drankgebruik van het dier in kwestie of katers pareer ik meestal met een ludiek bedoelde opmerking dat het verstandig is om in ieder geval zelf nuchter de operatiepatiënt bij ons te brengen. Zeker als dat met de auto is. Meestal gaat er nog een briefje met datum en bovenstaande instructies mee als we de afspraak maken, want baasjes moeten vaak al zoveel informatie verwerken.

Waarom nuchter? Narcotica werken wat misselijkmakend. En braken kunnen we niet gebruiken bij het onder zeil gaan en al helemaal niet tijdens een operatie. Het is niet fijn voor het dier en ook nog eens gevaarlijk in verband met verslikken tijdens de roes. Het is wel verstandig de instructies in gezinsverband te bespreken, want meer dan eens blijkt de patiënt toch niet zo nuchter als verondersteld. De eega of de kinderen hebben het dan altijd gedaan.

Honden worden meest netjes even uitgelaten vlak voordat ze voor een operatieve ingreep worden gebracht. Katten daarentegen worden geregeld opgesloten om te voorkomen dat ze de hort op gaan om al dan niet moedwillig te afspraak te ontlopen. Dat arrest is soms in de bijkeuken of zo, maar ook niet zelden heel spartaans in het kattenmandje waarin ze bij ons gebracht gaan worden. Daarbij wordt totaal vergeten dat poeslief of katermans daar niet op heeft kunnen anticiperen. Omdat ze normaal gesproken hun behoeften buiten doen wordt er niet bij stil gestaan iets van een kattenbakje te regelen. Naast het ongemak voor het dier laten de gevolgen op de operatietafel zich wel raden…

Ik herinner bij mijzelf een kijkoperatie in mijn knie. Ik was volledig bij bewustzijn en onderging die ingreep met een ruggenprik. Alles beneden mijn middel was bewegingsloos en zonder gevoel. Na afloop kwam de zuster van dienst met de echo mijn blaasinhoud controleren. Want, zo zei ze, als er teveel in zit, haal ik dat even weg met een katheter. En ik meende een sardonisch genoegen te bespeuren in haar glimlach. Nou, wat was ik blij dat ik tevoren goed had leeg geplast en weinig had gedronken…

Tot slot nog even dit. Al sinds ik deze stukjes schrijf, en dat is nu al vijftien jaar, heb ik de gewoonte dat te doen onder het genot van een ouzootje of een lekker glaasje wijn. Dan schrijft het meestal net ietsjes makkelijker. Dus helemaal nuchter ben ik dan niet. It koe slimmer, tocht ik sa…

Juni 2017

Tante Biotica

´Heb je een zalfje voor Tara? D’r oogjes zijn wat vies.´ Dergelijke redelijk klinkende verzoekjes bereiken mij regelmatig aan de telefoon, dan wel bij de balie. ´Mijn beste, ik kan niet zomaar een oogzalfje voorschrijven. Ik wil Tara ‘t liefst eventjes zien.´ Uitvluchten van tijdgebrek, moeilijk in de auto te krijgen en onkostenplaatje passeerden de hoorn. Dus gooide ik het op een akkoordje om de volgende ochtend even ‘geschikt’ langs te komen.

De middag daarop belandde Tara bij ons op de operatietafel. De Berner Sennenteef was net loops geweest en bleek bij nader onderzoek niet alleen vieze oogjes te hebben. Ze had koorts en was duidelijk niet fit. In haar rokjes hing een wat onbestemd geurende en kleurende vloed die afkomstig bleek uit de nog immer opgezette vulva. De diagnose ‘baarmoederontsteking’ was daarna snel rond. De enige juiste remedie is operatief ingrijpen en baarmoeder én eierstokken verwijderen. Dat kan uiteraard niet op locatie. Maar in de grote stationcar was Tara in een mum van tijd bij ons op de praktijk. ´Nu ben je aan de beurt: dit wordt knippen én geschoren worden!´, werd door de baas grinnikend aangehoord. Hij kon de humor waarderen. De operatie verliep voorspoedig. Gelukkig waren we tijdig met ingrijpen: er was geen doorbraak naar de buikholte toe. Met de kinderschaar werd de grote viervoeter aan het eind van de middag weer huiswaarts gehaald. Een paar dagen later struint Tara weer vrolijk over het erf en is ze weer helemaal de oude. Baas blij en eind goed, al goed.

En natuurlijk heeft die ‘geschikte’ visite ons geen windeieren gelegd. Maar dat is never nooit mijn drijfveer. Mijn motivatie haal ik uit het stellen van een goede diagnose en het aanreiken van de juiste therapie. Alle goed bedoelde zelfmedicatie van de eigenaar ten spijt. Medicijnen in het algemeen en antibiotica in het bijzonder dienen te worden voorgeschreven door medici met verstand van zaken. Ongebreideld verstrekken werkt vaak averechts. Met antibiotica kan het zelfs resistentie in de hand werken, met als gevolg dat bacteriën opeens bij een ordinaire infectie ongevoelig blijken voor de gebruikelijke geneesmiddelen. Dat is het laatste wat we willen. Samenvattend: een degelijk onderzoek gevolgd door de juiste therapie is essentieel.

Toen ik de eigenaar van Tara een week later belde, schoot hij meteen in de lach. Waarom? ´Dit is nou typisch een voorval waar je prima een relaas over kunt schrijven’, antwoordde hij, alvorens ik mijn vraag kon stellen om er een ‘bistedokter’ aan te mogen wijden…

Over het lukraak voorschrijven van antibiotica is overigens zelfs een luchtige vertelling van ‘Suske en Wiske’ verschenen: Tante Biotica. Twee jaar geleden geschreven in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het leerzame album is gratis te downloaden.

© 2017 Standaard Uitgeverij / WPG Uitgevers België nv                                         Mei 2017